Donderdag in de zestiende week
        van het even jaar
                          Heilige Maria Magdalena
                                   (eigen lezingen)

Eerste lezing: Hooglied 3,1-4a of 2 Korintiërs 5,14-17  
Evangelie: Johannes 20,1.11-18


Inleiding  

Maria Magdalena, beschermheilige van het instituut, want 'het werk van de zusters van dit instituut heeft veel gelijkenis met de dienst van Maria Magdalena toen zij op aarde was, want haar bezigheid bestond erin de zonden te bewenen die zij tegen haar beminnelijke Verlosser bedreven had, en aan haar hart de vrijheid te laten deze hemelse Minnaar, die haar onophoudelijk tot zijn liefde trok, te beminnen.' Zo zegt het pater Epifanius Louis, de abt van Epinal. Hij legde de gevoelens van zijn hart over de grootheid van het instituut en de uitnemendheid van haar opgave, neer in een geschrift dat is toegevoegd aan de Nederlandstalige eerste uitgave van de 'Ware Geest'.
Daarin staat over het werk van de zusters: 'Van de ene kant bewenen zij de zonden van alle mensen en vooral die zonden die het heilig Sacrament onrecht aandoen, evenals haar eigen zonden, en van de andere kant ontvlammen zij van liefde in de tegenwoordigheid van deze vuuroven van liefde: de beminnelijke Jezus, waaraan zij zich zonder ophouden blootstellen.'
De zonden bewenen, gevoel hebben voor wat de mensen, inclusief de mens die je zelf bent, God aandoen. Het kwaad dat de mensen zich bewust zijn, en waarvan zij spijt hebben, heeft altijd iets te maken met henzelf. Maar om de zonden te bewenen in zover zij God iets aandoen, voor zover iets betrekking heeft op God, dat is zo moeilijk, zo uitzonderlijk, zo bovenmenselijk, dat kan alleen maar door de genade. Dat kunnen we niet zelf. Het wordt ons dan ook voorgehouden door de Kerk, die, geleid door de heilige Geest, ons aan het begin van de heilige eucharistie onze zonden laat bewenen, laat belijden, onszelf laat beschuldigen, omdat wij deze heilige geheimen alleen dan goed kunnen vieren.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

Op de eerste dag van de week kwam Maria Magdalena
vroeg in de morgen - het was nog donker - bij het graf
en zag dat de steen van het graf was weggerold.
Buiten bij het graf stond zij te schreien.
En al schreiend boog zij zich naar het graf toe
en zag op de plaats waar Jezus' lichaam gelegen had,
twee in het wit geklede engelen zitten,
een aan het hoofdeinde en een aan het voeteneinde.
Zij spraken haar aan: “Vrouw, waarom schreit ge?”
Zij antwoordde: “Zij hebben mijn Heer weggenomen
en ik weet niet waar ze Hem hebben neergelegd.”
Toen ze dit gezegd had, keerde zij zich om en zag Jezus staan,
maar zonder te weten dat het Jezus was.
Jezus zei tot haar:
“Vrouw, waarom schreit ge?Wie zoekt ge?”
In de mening dat het de tuinman was, vroeg zij:
“Heer, mocht gij Hem hebben weggebracht
zeg me dan waar ge Hem hebt neergelegd
zodat ik Hem kan weghalen.”
Daarop zei Jezus tot haar: “Maria!”
Zij keerde zich om en zei tot Hem in het Hebreeuws:
“Rabboeni!” - wat leraar betekent.
Toen sprak Jezus:
“Houd Mij niet vast,
want Ik ben nog niet opgestegen naar mijn Vader,
maar ga naar mijn broeders en zeg hun:
Ik stijg op naar mijn Vader en uw Vader,
naar mijn God en uw God.”
Maria Magdalena ging aan de leerlingen berichten
dat zij de Heer gezien had,
en wat Hij haar gezegd had.

Homilie  

“Des nachts op mijn bed zoek ik mijn zielsbeminde. Hoe ik ook zoek, ik vind hem niet. Ik sta op, doorkruis de stad, zoek op pleinen en in straten naar mijn zielsbeminde, maar hoe ik ook zoek, ik vind hem niet."
Uit het Hooglied horen wij hier een persoonlijke belevenis uitgedrukt in de taal van de lyriek. Maar daar doorheen wordt de belevenis weergegeven van God met zijn volk. Zo gaat het in de liefde tussen mensen, tussen personen. En aangezien de verhouding tussen God en mens ook een verhouding is tussen personen, gaat het zo ook in de verhouding tussen God en mens.

Allereerst zoeken, zoals wij de viering begonnen: 'Ik zoek zijn aanschijn'. Dat betekent twee dingen: Als je hart door de liefde is geraakt, ben je je rust kwijt. Je begint rusteloos te zoeken. Dat is een reden waarom sommige mensen er nooit aan beginnen. Als je je rust lief hebt, als je je rust liever hebt dan de liefde, dan begin je er niet aan. Als mensen genoeg hebben aan zichzelf, geen behoefte aan meer, beginnen ze er niet aan, want de liefde is een avontuur. Men spreekt wel eens een beetje oppervlakkig over 'een avontuurtje', maar de liefde is een groot avontuur. Je hart verliezen aan de Beminde. Gewond worden door de liefdespijl. Gekwetst worden door de pijlen van Amor. Dat betekent allemaal hetzelfde. Het betekent dat je je rust kwijt bent.

Dat zoeken betekent ook dat er in de liefde iets gezocht wordt, iets dat je nooit als een vast bezit verwerft. Je zou kunnen zeggen: wie liefheeft, is altijd op zoek en hij vindt nooit, heeft nooit in bezit. Want zo gauw je de liefde hebt, zo gauw je de geliefde hebt als een bezit, als iets dat je vast hebt, als een bezitter, een eigenaar, heb je al niet meer lief. Dan is het al niet meer persoonlijk, want dan ben je bezig de ander te manipuleren, naar je hand te zetten. De ander, die voorwerp is van de liefde, is een geheim, een mysterie, dat kun je nooit bevatten. De ander blijft altijd een ander, dat moet altijd overeind blijven. De ander is een persoonskern waarop je nooit beslag kunt leggen, niet met je verstand, en niet met je gevoel. Zo is het tussen mensen en zo is het tussen God en de mens. God is een gave die je nooit krijgt, die je nooit hebt. God is altijd groter. Daarom moet je Hem altijd weer loslaten en nooit fixeren in de gestalte waarin je Hem hebt gevonden, nooit vastleggen in de gevoelens waarmee je ontdekking gepaard ging.

Dat is ook de betekenis van de woorden die Jezus tot Maria Magdalena spreekt, op het moment dat zij Hem heeft gevonden en vastgegrepen: "Houd Mij niet vast”. Dat betekent niet: 'raak Me niet aan', maar: 'laat Me los in de gestalte waarin je Mij gevonden hebt. Je mag Mij pas hebben van bij de Vader'. “Ik ben nog niet opgestegen naar mijn Vader … en uw Vader." Je moet Hem laten opstijgen, groter laten worden, tot bij de Vader. Je moet Hem laten ontstijgen aan alles waarin je Hem hebt gevonden. Hij is groter, groter dan de nauwe schaal van je schedel, groter dan de enge ruimte van je hart.

Zo met elkaar omgaan, en zo met Hem omgaan, vraagt versterving. Dat vraagt dat je je niet hecht aan de vormen waarin je met elkaar omgaat. Dat vraagt dat je de ander niet vastpint op zijn uitingen, maar dat je achter alles wat er gezegd, gedaan wordt, het hart vermoedt, er een geheim bij vermoedt dat groter is, de liefde van God. God, die met zijn liefde, zijn barmhartige liefde, uitgaat naar die ander. Dat is het geheim van ieder van ons, dat is het enige vaste, dat is het geloof. Het geloof van Maria Magdalena. De anderen leerlingen organiseren zich, zoeken gezelschap, trekken er opuit, naar Emmaüs bijvoorbeeld, of sluiten zich op in een kamer met eigen gezelschap, maar zij blijft bij het graf, zij blijft zoeken, zij gelooft dat ze de Beminde zal vinden. En tenslotte wordt dit geloof beloond. Niet zíj vindt, maar zij wórdt gevonden. Terwijl zij de Beminde zocht, was de Beminde bezig haar te zoeken, net zo lang tot zij in de gesteltenis was om zich ook door Hem te laten vinden.

Wij zoeken God. Wij zijn op zoek naar God, altijd weer. En van achter de dood openbaart Hij Zich, laat Hij Zich vinden, van achter de dood, als de allerlaatste hoopgevende tekens zijn vervlogen, hun waarheid hebben verloren. Als je in het niets, in de leegte bent, dan laat Hij Zich vinden.