Heilige Laurentius van Brindisi, priester en kerkleraar
Eerste lezing: Exodus 14,21-15,1
Evangelie: Matteüs 12,46-50
Inleiding
Vandaag vieren wij de gedachtenis van Laurentius van Brindisi. Hij heet Laurentius van Brindisi om hem te onderscheiden van Laurentius, de diaken en martelaar van Rome. Hij trad in bij de Capucijnen, doceerde er theologie, en kreeg vele taken te vervullen, maar was vooral een groot predikant. Hij verkondigde Gods woord en zijn prediking had een goddelijke uitwerking, want dat is mogelijk met het Woord van God. Het Woord van God maakt de harten toegankelijk voor God.
Ook hier zal straks het Woord van God klinken, zal God ons bedienen met zijn Woord, en we mogen aan de heilige van vandaag vragen dat hij ons hart toegankelijk maakt voor het Woord van God, zodat het ook echt aan ons kan geschieden.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd terwijl Jezus tot het volk sprak,
gebeurde het dat zijn moeder en broeders buiten stonden
om te trachten met Hem te spreken.
Iemand kwam Hem nu zeggen:
Uw moeder en broeders staan daarbuiten
en willen U spreken.
Maar Hij antwoordde aan degene die Hem dit kwam zeggen:
Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broeders?
En met een gebaar naar zijn leerlingen zei Hij:
Ziedaar mijn moeder en mijn broeders;
want mijn broeder, mijn zuster en mijn moeder
zijn zij die de wil volbrengen van mijn Vader in de hemel.
Homilie
Een uittocht waar het geloof van Israël zich op baseerde. 'God, die Israël bevrijd heeft uit Egypte, het slavenhuis', dat is een siertitel van God. Als de Joden aan God dachten, dachten ze aan bevrijding. Als wij ergens in vastzitten, dan denken wij aan God, die ons zal bevrijden.
Ook Jezus voltrekt vandaag een uittocht, de uittocht uit de familie, de aardse familiebanden. Deze uittocht leidde ook een doortocht in naar het beloofde land dat Hij zelf is, naar het beloofde land dat de Kerk is. Zoals we hier bij elkaar zijn, worden we door de geroepen leiders van het nieuwe Godsvolk immers aangesproken met 'broeders en zusters'. 'Bidt, broeders en zusters
'. 'Broeders en zusters', dat zeggen mensen normaal tegen hun bloedverwanten, maar in de Kerk zeggen we het tegen mensen die ons vreemd zijn, want in de Kerk leven we in de staat van de uittocht. We zijn een uittochtvolk, zoals we hier nu bijeen zijn. En de zusters van de communiteit, het woord zegt het al: 'de zusters', proberen te leven in de staat van uittocht, van doortocht, van het niet steunen op aardse verbanden. Religieus leven en kerkelijk leven is nu al leven in de verhoudingen van de hemel, waar God de Vader is van allen en in allen. Daardoor zijn wij dus allen broeders en zusters van elkaar.
Iemand schreef eens een parabel over ons aller uittocht, de doortocht die we allen mogen doormaken. Hij zei: de hemel is: de aardse grenzen kwijtraken. Dat betekent dat het daar niet meer is zoals het hier op aarde is: hij is mijn broeder en hij niet, zij is mijn zuster en zij niet, hij behoort tot mijn familie en zij niet, dat is een buitenstaander en die niet, dat is een vijand en dat is een collega, en hem ken ik niet. Wat een grenzen, wat een obstakels! Wat hebben we allemaal te verdedigen en te beschermen en vooral nog te veroveren! Daaraan kun je nu zien hoe groot Gods liefde is. Voor zijn liefde vallen alle grenzen weg.
Hier op aarde lijken die grenzen als muren zo hoog en dik, maar vanuit de hemel gezien, vanuit de liefde van onze hemelse Vader, is er nauwelijks verschil. En als er al verschillen zijn, dan is het alleen maar om elkaar aan te vullen, om elkaar te verrijken, zoals in het lichaam. Zoals Paulus zegt: "De hand kan niet zeggen tegen de voet: wat heb ik met jou te maken" (Vgl. 1 Kor 12,15). Als er al verschil is, dan is het dat de zwakkeren met meer eerbied worden omgeven.
Grenzen opheffen, grenzen vervagen, grenzen uitwissen, muren neerhalen, dat is het werk van Jezus. Hij doet dat met een gebaar, met een gebaar naar zijn leerlingen. Er was ook een menigte om Hem heen die naar Hem luisterde, maar het zijn zijn leerlingen over wie Hij zei: "Ziedaar mijn moeder en mijn broeders." Hij zegt het - om het in onze situatie te zeggen - tot de zusters. Hij zegt het niet tot de mensen in de buitenkapel. Zijn die dan geen broeders en zusters van Jezus? Of zijn dat alleen degenen hier in de buitenkapel die een professie hebben afgelegd? Zegt Hij het alleen maar tot hen? Nee, Hij zegt het ook tot de anderen, maar het zijn degenen die het in een aanschouwelijke levensstaat beleven, tot wie Hij het zegt, opdat de anderen kunnen zien hoe iedereen moet leven: Jezus volgen, want als je Hem volgt, dan ontstaat er een intimiteitverhouding met Hem en met allen die Hem volgen als met bloedeigen mensen.
Je hoeft dus niet bang te zijn dat je bepaalde voorrechten mist, dat bepaalde voorrechten alleen aan een bepaalde groep toebehoren, nee, je hoort er allemaal helemaal bij in de mate dat je bij Jezus hoort, in de mate dat je bij de liefde van de Vader hoort, en dan mag de rest best verschillend zijn.
In de eucharistieviering heb je de woorddienst en de dienst van het offer. De woorddienst hebben we nu achter de rug, de dienst van het offer gaat beginnen. Maar in de dienst van het offer wordt gedaan wat er in de dienst van het woord werd gezegd. Wat werd er in de dienst van het woord dan gezegd? "Wie is mijn moeder, wie zijn mijn broeders? Zij, die Mij nu volgen, zullen Mij nu horen zeggen: Dit is mijn Lichaam." Ik neem u op in mijn Lichaam. Ik ben zo vertrouwd met u als een mens vertrouwd is met zijn eigen lichaam. Jullie zijn allemaal van Mij, en zo zijn wij ook van elkaar.