Vrijdag in de zeventiende week
        van het even jaar
Heilige Alfonsus Maria de Liguori, bisschop en kerkleraar


Eerste lezing: Jeremia 26,1-9 [III 201];
Evangelie: Matteüs 13,54-58 [III 202]


Inleiding      

'Tot U, Heer, stijgt mijn verlangen.' Waar stijgt dat verlangen dan uit op? Uit het verstand? Nee, het verstand is meer de eigen werkzaamheid, zelfwerkzaamheid. Daar gebeurt iets niet zomaar, je moet er iets voor doen. Je moet met je verstand iets vatten, iets omvatten, in de greep krijgen, begrijpen. Maar déze wijze van God benaderen komt niet uit het verstand, maar uit het hart. Uit het door God geraakte hart! Want van Hem komt het verlangen. Verlangen reikt naar iets, naar iemand, naar God. Maar het komt ook ván God. God is er het begin en het einde van. Want hoe zou iets naar God kunnen reiken als het niet al van God afkomstig is? Hij is het begin en het einde.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd begaf Jezus Zich naar zijn vaderstad
en onderwees hen in hun synagoge, zodat ze verbaasd zeiden:
“Waar heeft Hij die wijsheid vandaan
en de macht om wonderen te doen?
Is Hij niet de zoon van de timmerman?
Heet zijn moeder niet Maria
en zijn broeders Jakobus, Jozef, Simon en Judas?
Wonen zijn zusters niet allen bij ons?
Waar heeft Hij dat alles vandaan?
En zij namen er aanstoot aan.
Maar Jezus sprak tot hen:
“Een profeet wordt overal geëerd
behalve in zijn eigen stad en in zijn eigen kring.”
En wegens hun ongeloof deed Hij daar niet veel wonderen.

Homilie  

“In die tijd begaf Jezus Zich naar zijn vaderstad."
Hij kwam in zijn eigen milieu, bij de zijnen. Hoe zal het Woord van God daar aankomen? Het zou er wel eens heel anders aan toe kunnen gaan dan in de milieus waar Jezus tot nog toe had gepreekt. Ga maar bij jezelf na wat er gebeurt als je zegt waarvan je leeft, als je zegt wat je innerlijke overtuiging is. Wat gebeurt er als je dat vertelt aan buitenstaanders, mensen die wel geloven maar niet van je eigen familie zijn, van je eigen kring? Of als je dat vertelt aan de mensen met wie je dagelijks omgaat en die jou dagelijks zien? Die laatsten zouden al gauw kunnen zeggen: 'hoor haar eens, hoor hem eens. We kennen je wel, maar we kennen je heel anders.' Of: 'je hoeft ons niet de les te lezen.'

Als Jezus preekt, heft Hij Zich uit boven alle mensen. Hij zei dan ook niet zomaar een vriendschappelijk woord, nee, Hij onderwees, Hij onderrichtte en Hij leidde zijn woorden gewoonlijk in met: "Voorwaar, Ik zeg u", het is waar omdat Ik het zeg. Zijn woorden, zijn heilige woorden, hebben een volstrekte, absolute gelding, verplichtend, niet vrijblijvend. Wanneer wij dus vertellen waarvan wij leven, van Wie wij leven, dan krijg je hetzelfde effect als bij de mensen uit Jezus' vaderstad: "Waar heeft Hij die wijsheid vandaan en die macht om wonderen te doen? Is Hij niet de zoon van de timmerman? Is Hij niet een van ons? “Heet zijn moeder niet Maria?" Ze weten hem precies te wonen. 'Wat moet Hij ons vertellen? Wat verbeeldt Hij Zich wel? We hoeven ons door Hem niets wijs te laten maken!'

Dat is een heel normale reactie. Om iemand iets te kunnen leren moet je, behalve een betere, een hogere wijsheid, ook prestige hebben. Dat wil zeggen: afstand. Hoe kleiner die afstand is, des te minder de mogelijkheid om iets over te brengen. Als de afstand heel groot is, zoals bij een klein kind en zijn vader, die in de ogen van het kind heel groot is, dan denkt het kind en dat zegt het ook: 'vader kan alles en vader weet alles. Mijn vader is reuze knap!' Wat de vader zegt wordt dan gemakkelijk opgenomen en aangenomen. Maar als het kind een paar jaar ouder is, kan het gemakkelijker zeggen: 'u hebt niets over mij te vertellen.' En is hij groter dan vader, dan is het soms: 'vader weet niets, ik weet alles beter', en wordt niets van wat vader zegt meer aangenomen.

U moet zich eens voorstellen: God heeft het risico genomen uit zijn onbenaderbaarheid en ontoegankelijkheid te voorschijn te komen en Zich in een zichtbare gestalte aan de mensen te tonen door te worden zoals zij. Hij is onder de mensen, Hij is gewoon één van hen geworden. Dan wordt de afstand vanzelf klein. Hij heft de afstand op, ja, Hij is één van hen. Dan wordt het luisteren moeilijk, het prestige ontbreekt. Als Jezus dan toch met goddelijk gezag spreekt, en zijn woorden inleidt met die typische, verplichtende woorden: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u", wordt het wel heel moeilijk dat aan te nemen. Dat is moeilijk voor iedereen en voor de mensen in Nazaret natuurlijk nog veel moeilijker, daar kennen ze Hem; ze kennen zijn vader en moeder; ze weten wat voor beroep zij uitoefenen: vader en zoon timmerman. Het zijn gewone mensen, ook zijn moeder, waar niets bijzonders aan te bespeuren is.

De mensen in onze dagen zijn nog niets veranderd. Ze nemen aanstoot aan de vele goede dingen van en over de Kerk. 'Er is niets op aan te merken, hoor, daar niet van, net als bij Jezus van Nazaret, maar die aanspraken, die pretentie, dat verplichtende, dat absolute van de Kerk, van zo is het en zo is het voor iedereen, betekent dat wij onze eigen absoluutheid, dat het is zoals wij denken, moeten opgeven.' We luisteren naar de wijsheid en de goedheid die God in de Kerk heeft opgeslagen. Maar het is ons eigenlijk onmogelijk ons eigen gelijk te relativeren. Daarom hebben wij voorgangers in het geloof.

Maria en Jozef! Hun geloof komt des te beter uit tegen het ongeloof, het vanzelfsprekende ongeloof van hun stadgenoten, van hun bloedverwanten. Het geloof van Maria was volmaakt. Nooit was de afstand tussen God en mens kleiner dan bij haar, nooit naderde God de mens dichter dan bij haar. God heeft Zich aangepast, God heeft Zich ingepast. Hij, de Schepper van hemel en aarde, als een kleine vrucht in haar schoot. En zij ergerde zich niet aan Hem, ze nam er geen aanstoot aan, zoals haar stadgenoten. Ze gaf niet toe aan de voor de hand liggende neiging God alleen te geloven als Hij tekenen doet. Een teken uit de hemel, iets buitengewoons, iets buitenissigs, zodat het werk van God zich zou aftekenen tegen het alledaagse, tegen het gewone. Nee, zij liet het heilige binnendringen in het allergewoonste, zij werd draagster van God zelf. God neemt ons menszijn zo serieus, dat het drager wordt van het goddelijke.

Elke keer speelt dat wonder zich opnieuw af als wij eucharistie vieren. Wat zich daar onder ons tegenwoordig stelt, onder de tekenen van brood en wijn, wat het gewoonste, het alledaagse betekent, dat is het allerhoogste. Ons dagelijks brood, onze alledaagse werkelijkheid, het alledaagse leven, het leven van alledag, gewoon, als het gewone leven van de mensen van Nazaret, van de bloedverwanten van Jezus, de Zoon van de timmerman, van Jozef en Maria, dat is het állerhoogste.