Zaterdag in de zeventiende week
        van het even jaar
                                    Maria op zaterdag

                      Heilige Eusebius van Vercelli, bisschop
                     Heilige Petrus Julianus Eymard, priester


Eerste lezing: Jeremia 26,11-16+24 [III 203]
Evangelie: Matteüs 14,1-12 [III 204]


Inleiding      

'En méér zij gezegend de vrucht van uw schoot.' Dat er één mens op aarde is, dat er één stukje aarde is, dat ontvankelijk is voor het Woord van de hemel. Vóór de vrucht in de schoot van Maria kwam, heeft de hemel zich op aarde eerst een stukje hemel gevormd, een stukje aarde van pure, zuivere ontvankelijkheid, om Hem die alleen maar in pure, zuivere ontvankelijkheid kan worden ontvangen, op te nemen. Dat is wat we op de zaterdag, als voorbereidingsdag op de dag van de Heer, vieren. Mogen we die ontvankelijkheid in Maria eren en ook in onszelf laten groeien.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd begon Jezus' vermaardheid tot de viervorst Herodes door te dringen
en hij zei daarom tot zijn hovelingen:
“Dat moet Johannes de Doper zijn;
hij is uit de doden opgestaan;
vandaar dat die wonderkrachten in hem werken.”
Want omwille van Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus,
had Herodes Johannes laten grijpen en geboeid in de gevangenis geworpen,
omdat Johannes tot hem gezegd had:
“het is u niet geoorloofd haar als vrouw te hebben.”
Daarom had Herodes hem eigenlijk ter dood willen brengen;
maar hij was hiervoor teruggeschrokken
omdat het volk Johannes voor een profeet hield.
Toen de dochter van Herodias echter op de verjaardag van Herodes
voor het gezelschap danste,
beviel zij hem zozeer dat hij een eed zwoer
haar alles te zullen geven wat zij zou vragen.
Haar moeder had haar het antwoord ingescherpt en daarom zei ze:
“Geef mij, hier nog, op een schotel het hoofd van Johannes de Doper.”
Ofschoon dit de koning aan zijn hart ging,
wilde hij toch, ook wegens zijn tafelgenoten,
zijn eed gestand doen en hij gelastte het te geven.
Hij gaf daarom opdracht Johannes in de gevangenis te onthoofden.
Zijn hoofd werd op een schotel binnengebracht en aan het meisje gegeven,
dat het aan haar moeder bracht.
Zijn leerlingen kwamen het lijk halen en begroeven het;
daarna gingen zij het aan Jezus melden.

Homilie  

Herodes is een gevangene van zichzelf. Hij is wel koning en heerst over anderen, maar hij heeft zichzelf niet in zijn macht. Hij is een man van 'eigenlijk' en 'maar' en 'toch': "eigenlijk  had hij Johannes ter dood willen brengen, maar hij was hiervoor teruggeschrokken, omdat het volk Johannes voor een profeet hield. Of zoals er bij Marcus staat: "Hij wist dat Johannes de Doper een rechtschapen en heilig man was en nam hem in bescherming. Telkens wanneer hij hem gehoord had, verkeerde hij in tweestrijd; maar toch luisterde hij graag naar hem.” En: “ofschoon dit de koning aan zijn hart, ging wilde hij toch, ook wegens zijn tafelgenoten, zijn eed gestand doen."

Zoals elke mens wordt Herodes langs twee kanten in zijn vrijheid bedreigd: van binnenuit door zijn hartstochten en van buiten af door zijn omgeving. Die twee spelen op elkaar in: een verjaardag, een maaltijd, hoogwaardigheidsbekleders, hoofdofficieren, vooraanstaanden, een stemming van euforie, gelukzaligheid, goed eten en drinken, een schone dans van de dochter van Herodias, applaus: "zij beviel aan Herodes en zijn tafelgenoten": het welgevallen van de mensen. Wie zou er in die omstandigheden niet vallen? Het zijn sterke benen die zoveel weelde kunnen dragen. De vrijheid is verstikt. De koning is aan handen en voeten gebonden. Hij kan niet meer voor of achteruit. Hij kan zijn omgeving niet teleurstellen. Hij mag ook zijn geweten niet teleurstellen, de stem van God in zijn binnenste. Maar hij kiest voor de mensen.

De omgeving is een machtige factor: Petrus zat rond het haardvuur, toen hij zijn Meester verloochende. Verreweg de meeste zonden worden begaan doordat men bezwijkt voor de druk van de omgeving. Dat is het bijzonder genadevolle van het sociale milieu van de Kerk en van het klooster. Daar doordringt het evangelie het sociale milieu, zodat christenen ook van buitenaf aangemoedigd en bevestigd worden. Dat is de genade van het klooster, maar ook de zwakheid ervaren. Want het door het evangelie gevormde milieu kan weer tot een nieuw stuk wereld worden. Jezus zegt daarvan: "aan wie veel is gegeven, zal veel worden geëist, en wie veel is toevertrouwd, van hem zal des te meer worden gevraagd" (Lc 12,48).