Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd liet Jezus de menigte gaan en keerde naar huis terug.
Zijn leerlingen kwamen nu naar Hem toe en zeiden:
Leg ons de gelijkenis uit van dat onkruid op de akker.
Hij gaf hun ten antwoord:
Die het goede zaad zaait, is de Mensenzoon;
de akker is de wereld;
het goede zaad, dat zijn de kinderen van het Rijk;
het onkruid zijn de kinderen van het kwaad,
en de vijand die het zaaide, is de duivel.
De oogst is het einde van de wereld
en de maaiers zijn de engelen.
Zoals nu het onkruid wordt bijeengebracht
en in het vuur verbrand,
zo zal het ook gaan op het einde van de wereld.
De Mensenzoon zal zijn engelen uitzenden
en zij zullen uit zijn Rijk bijeenbrengen
allen die tot zonde verleiden en ongerechtigheid bedrijven
om hen in de vuuroven te werpen,
waar geween zal zijn en tandengeknars.
Dan zullen de rechtvaardigen
in het Koninkrijk van hun Vader schitteren als de zon.
Wie oren heeft, hij luistere.
Homilie
Heer, wij erkennen onze misdaden en de schuld van onze voorvaderen," bidt Jeremia in de eerste lezing. Hij bad dit toen het volk weer eens ontrouw was geworden aan God. En wat doet God? Hij velt geen oordeel, roept geen dag der wrake uit, maar Hij blijft trouw aan zijn belofte, trouw aan zijn verbond. Hij houdt ze onder zijn hoede, wendt zijn aangezicht niet van hen af. Dat is zoiets als een kerk waar het Allerheiligste staat uitgesteld en vereerd wordt. Hij keert zijn gelaat niet af, maar juist naar de mensen toe. Het heilig sacrament is het werkzame teken van zijn barmhartigheid.
In beide lezingen maken we mee dat God Heer is en dat Hij zijn schepping en zijn volk beheert met barmhartigheid en rechtvaardigheid. De Heer is een barmhartige en medelijdende God! Dat is zijn antwoord aan het afvallige volk. Hij is groot in liefde en trouw, Hij bewijst goedheid aan duizenden, Hij vergeeft misdaden, overtredingen en zonden. Hij is de Heer voor wie Jeremia op de knieën neerviel, en zich nóg dieper neerboog om te smeken: "Omwille van uw Naam, verwerp ons niet
Denk toch aan uw verbond met ons en verbreek het niet."
In de uitwerking van de parabel komt dat uitvoerig aan de orde. Daar is het niet de barmhartigheid, maar het oordeel. Het laatste oordeel, de oogst, noemt Jezus dat in de uitleg van de parabel. Het is het einde van de wereld. De oogst is, in termen van de Tweede Wereldoorlog gesproken, geen bijltjesdag. De oogst is niet de dag die wíj in de zin hebben, de dag dat wij onze vijand er eens eventjes goed van langs zullen geven, de dag waarop wij leedvermaak zullen hebben als een moeilijk medemens ook eens onderuit gaat, als die zijn verdiende loon krijgt. De oogst is niet de dag dat wij er een ander van zullen laten lusten, dat wij wraak nemen, nee, die oogstdag die Jezus bedoelt, is het einde van de wereld, en dat betekent dat, als dáár alle oordeel in is geconcentreerd, er daarvoor en daarbuiten geen plaats is voor oordeel. Geen oordeel hier en nu, geen oordeel straks of later, nooit een oordeel, nooit en te nimmer. Want het oordeel van de Schrift, het oordeel waar Jezus het over heeft, is het laatste oordeel en dat is een Godsoordeel.
Dat oordeel van God valt helemaal buiten de grenspalen van de geschiedenis. Niet de mensen oordelen. We kunnen het dus wel vergeten met onze wraakplannen. Uitroeien dat onkruid? Weg met die vijanden? Nee, zegt Jezus. En wij verzuchten: 'wanneer komt er eens een einde aan. Moeten we het dan maar laten duren?' Ja, zegt Jezus, laat maar. "Laat beide samen opgroeien tot de oogst." Dulden, eindeloos dulden. We moeten het geduld van God hebben. We moeten het onduldbare dulden en daarbij ons hart tot vrede stemmen, want het oordeel is iets dat kómt, maar nú zegeviert de barmhartigheid, want God is genadig en eindeloos geduldig. Maar Hij legt ons wel op hetzelfde te doen, zodat wij zelf een parabel worden van dat onkruid en de tarwe. "Laat beide samen opgroeien tot de oogst."Dan kunnen de mensen aan ons zien hoe het goddelijk geduld doorgaat in de geschiedenis.
Goddelijk geduld opbrengen. Daarvoor dient de eucharistie. We komen binnen in dit huis van God met onze wraakgevoelens, met ons ongeduld en wij komen eruit met gevoelens van geduld, gevoelens van vergevingsgezindheid en barmhartigheid, van laten. Laat maar.