Heilige Martha, Maria en Lazarus, vrienden van de Heer
(eigen lezingen)
Eerste lezing: Genesis 18,1-6.8
Evangelie: Johannes 12,1-11
Inleiding
Het feest dat in de Kerk gevierd wordt als het feest van de heilige Martha wordt in de gemeenschappen van benedictijnen en benedictinessen en allen die de Regel van Benedictus volgen, gevierd als het feest van de Vrienden van de Heer: de heilige Martha, Maria en Lazarus. De genegenheid van een vriend, de zorg van dienende handen, de aandacht van een luisterend hart. Dat heeft Jezus ondervonden in het huis van zijn vrienden, in het huis in Bethanië. En daar mogen we ons nu allemaal toe rekenen. Wij allemaal mogen de genegenheid ondervinden van een Vriend, de zorg van dienende handen en wij allemaal, zoals wij hier nu verenigd zijn, mogen de aandacht hebben van een luisterend hart.
Belijden wij dan eerst onze schuld, onze zelfvoorziening en onze doofheid van hart voor het Woord van God, om deze heilige Geheimen goed te kunnen vieren.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
Zes dagen voor Pasen kwam Jezus te Bethanië,
waar Lazarus woonde, die Hij uit de doden had opgewekt.
Men gaf daar ter ere van hem een maaltijd.
Martha bediende en Lazarus was een van degenen
die met Hem aanlagen.
Maria nu nam een pond nardusbalsem,
echte en heel kostbare,
zalfde daarmee Jezus' voeten en droogde ze met haar haren af.
Het huis hing vol balsemgeur.
Daarop zei Judas Iskariot, een van zijn leerlingen,
dezelfde die Hem zou overleveren:
Waarom is die balsem niet voor driehonderd denaries verkocht
en het geld aan de armen gegeven?
Hij zei dat niet omdat hij bezorgd was voor de armen,
maar omdat hij een dief was en uit de beurs die hij bewaarde,
wegnam wat erin kwam.
Jezus echter zei:
Laat haar begaan.
Zij heeft dit gebruik onderhouden
vooruitlopend op de dag van mijn begrafenis.
Want de armen houdt gij altijd bij u,
Mij echter niet altijd.
Intussen waren heel veel Joden te weten gekomen
dat Jezus daar was,
en kwamen erheen, niet alleen omwille van Jezus,
maar ook om Lazarus te zien,
die Hij uit de doden had opgewekt.
De hogepriesters besloten toen ook Lazarus uit de weg te ruimen,
omdat om hem veel Joden wegliepen
en in Jezus geloofden.
Homilie
Martha, Maria, Lazarus, de vrienden van de Heer. We gunnen het hen en we gunnen het Hem van harte. We gunnen het Hem van harte dat Hij temidden van zoveel vijandschap, onverschilligheid, kwaadaardigheid, kwaaddenkendheid in zijn aardse leven toch ergens mensen heeft aangetroffen die Hij zijn vrienden kon noemen, bij wie zijn Naam veilig was, bij wie Hij Zich thuis voelde. We gunnen het Hem en hen van harte.
Maar hoe gemakkelijk kan er ook iets in ons komen van: zij wel en wij niet. Gaat u maar na wat er in u gebeurt wanneer u ziet hoe twee mensen het goed met elkaar kunnen vinden, hoe ze vertrouwelijk met elkaar omgaan. Dat hoeft nog niet altijd jaloezie te zijn, maar onwillekeurig voel je je toch een beetje buitengesloten. Als dat nu ook het neveneffect zou zijn van dit feest van de vrienden van de Heer, is dat nu net niet de bedoeling. Het feest van de vrienden van de Heer wil juist duidelijk maken dat wij de vrienden zijn van de Heer, dat Hij met ieder van ons omgaat zoals Hij met zijn vrienden Martha, Maria en Lazarus omging. Zo heette het al in psalm 4: "Weet ge dan niet dat God een vriend heeft, dat Hij die groot maakt en dat Hij dus naar hem luistert." Hij luistert dus ook naar mij als ik Hem aanroep. God heeft iets met mij en ik heb iets met God. Daarom is het ook zo betekenisvol dat Mozes de tent van de samenkomst binnenging en daar sprak met zijn Heer als een vriend met zijn Vriend.
Zo houdt Hij van ons. Hij houdt niet van ons zoals mensen van dezelfde familie van elkaar houden, of mensen van dezelfde club, dezelfde congregatie, hetzelfde werk, of dezelfde communiteit elkaar genegen zijn. In al dat soort verbanden houden de mensen ook ergens van zichzelf. Ze investeren hun liefde, hun energie in de ander, maar tegelijkertijd hoort die ander tot hetzelfde verband waartoe men zelf ook hoort. Zoiets als een zakenman die het geld dat hij verdiend heeft, investeert in zijn eigen zaak. Niemand zal zeggen: wat is die man toch een grote vriend van zijn zaak. Wat geeft hij toch onbaatzuchtig. Hij geeft wel onbaatzuchtig maar om er baat bij te krijgen, om er meer uit te halen. Zo hebben alle vriendschappelijke, intermenselijke betrekkingen ook altijd iets zelfzuchtigs. Over de band van de ander speelt men de bal naar zichzelf terug, omdat die ander deel uitmaakt van hetzelfde leven en van hetzelfde belang.
Maar zo houdt God niet van ons. God houdt van ons zoals vrienden van elkaar houden. Wat is dat dan voor een liefde? Dat is een uitverkiezingsliefde. Niet omdat je van hetzelfde soort bent, of van dezelfde familie, van hetzelfde vlees en bloed, dat is ook al heel veel, maar het is niet genoeg, want dan zou je nog steeds niet van die ander houden omdat híj het is. En ík wil nu juist bemind worden, echt bemind worden, echte liefde voelen omdat ík het ben. Omdat ík het ben, van wie er geen enkel ander bestaat.
Trouwens dat is de enige reden om iemand te beminnen, want als je iemand bemint om zijn schoonheid, prestaties of zijn geld, om zijn bloed, om zijn naam, of omdat hij geestig is, dan is dat geen echte liefde. Er kan alleen maar sprake zijn van liefde als je die ander bemint omdat die ander uniek is, ongeëvenaard, een uitzondering op de regel.
Zo heeft God Israël bemind. Dat was toch het uitverkoren volk van wie Hij hield met een uitverkiezingsliefde! Niet omdat het een groot volk was, zegt het boek Deuteronomium, het was het kleinste van alle volkeren, ingeklemd tussen grote machten. En ze hebben ook geen spoor nagelaten van piramiden, grote tempels, paleizen, kunstwerken. Niets van dat alles. Maar het kunstwerk dat Israël achterliet in de geschiedenis is de heilige Schrift, is het Woord van God. Dát is wat God deed voor zijn beminde. En zo bemint God niet alleen alle volkeren, maar zo bemint Hij ook alle mensen. Zo houdt Jezus ook van ons. "God die mij heeft lief gehad en die zich voor mij heeft overgeleverd" (Gal 2,20). Wij zijn zoals Lazarus, die Hij uit de dood heeft opgewekt. Want wat staat er geschreven over iemand die zijn leven geeft voor een ander? "Geen grotere liefde kan iemand hebben dan deze dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden" (Joh 15,13). Om ons uit de dood te halen, heeft Hij zijn leven moeten geven.
Dat is wat wij in elke eucharistie vieren. Die vriendschapsliefde is een liefde tot de dood. "Gij zijt mijn vrienden als gij doet wat Ik u gebied" (Joh 15,14). En wat gebiedt Hij ons? Deze daad van Hem in herinnering te houden, te leven uit zijn liefdesdaad. Hij geeft zijn leven. "Ik noem u geen dienaars meer, want een dienaar weet niet wat zijn heer doet en hij weet niet waarom hij iets doet. Maar u heb Ik vrienden genoemd, omdat Ik u heb meegedeeld wat Ik van mijn Vader heb gehoord" (Joh 15,15). Ongehoorde vriendschapsliefde, een liefde tot de dood. Dat moet er achter zitten. Maar u weet wel, dat vriendschap niet mogelijk is tenzij er regelmatig tijd wordt gemaakt voor een ontmoeting, een moment van intimiteit waarin je met de Beminde alleen bent.
Dat het echte vriendschapsliefde is die ons hier samenhoudt en ons met de Heer verbindt, blijkt uit het feit dat wij in iedere gemeenschappelijke viering een moment hebben van intimiteit met Hem. Dan gaat Hij ieder persoonlijk langs. Niemand voelt zich tekort gedaan. Niemand wordt uitgesloten. Ieder krijgt het volle deel, het volle pond, het bewijs van zijn liefde tot het uiterste.