Dinsdag in de zeventiende week
       van het oneven jaar
Eerste lezing: Exodus 33,7-11a; 34,5b-9.28  
Evangelie: Matteüs 13,36-43


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd liet Jezus de menigte gaan en keerde naar huis terug.
Zijn leerlingen kwamen nu naar Hem toe en zeiden:
“Leg ons de gelijkenis uit van dat onkruid op de akker.”
Hij gaf hun ten antwoord:
“Die het goede zaad zaait, is de Mensenzoon;
de akker is de wereld;
het goede zaad, dat zijn de kinderen van het Rijk;
het onkruid zijn de kinderen van het kwaad,
en de vijand die het zaaide, is de duivel.
De oogst is het einde van de wereld
en de maaiers zijn de engelen.
Zoals nu het onkruid wordt bijeengebracht
en in het vuur verbrand,
zo zal het ook gaan op het einde van de wereld.
De Mensenzoon zal zijn engelen uitzenden
en zij zullen uit zijn Rijk bijeenbrengen
allen die tot zonde verleiden en ongerechtigheid bedrijven
om hen in de vuuroven te werpen,
waar geween zal zijn en tandengeknars.
Dan zullen de rechtvaardigen
in het Koninkrijk van hun Vader schitteren als de zon.
Wie oren heeft, hij luistere.”

Homilie  

Gisteren daalde Mozes van de berg af en ontwaarde het volk dat in extase danste rond het gouden kalf. Mozes werd razend en smeet de stenen tafelen tegen de berg aan gruzelementen. En wat doet God? Hij velt geen oordeel, er komt geen dag der wrake, maar Hij richt een tent op: de tent van samenkomst. Dat is zoiets als een kerk waar het Allerheiligste wordt vereerd. Hij wendt zijn gezicht niet af, maar keert zijn gelaat naar Mozes en institutionaliseert een liturgische ruimte. De wolkkolom was toen wat tegenwoordig het heilig Sacrament is: het werkzame teken van zijn heilige tegenwoordigheid.

En wat doet God daar in die tent van samenkomst? Wat doet Hij hier in deze tent van samenkomst? Hij is daar God-met-ons! Hij is er voor u. Hij is verborgen, maar werkelijk aanwezig. Hij is er als Iemand die Zich laat ontmoeten. Het is dan ook een tent van ontmoeting. Als men iets aan Hem te vragen had, ging men naar de tent. Als Mozes die tent binnenging, sprak hij met zijn Heer "van aangezicht tot aangezicht, zoals een mens met zijn medemens spreekt" (Ex 33,11). Of zoals Ignatius zegt: 'in een samenspraak, zoals een vriend met zijn vriend, of een knecht met zijn heer.' Hij is écht Iemand. Hij geeft tegenspel. Ik bedoel: Hij is geen projectie van je eigen verlangens. Hij is Iemand die van zíjn kant het initiatief neemt.

We maken dat in beide lezingen mee: Hij is Heer en Hij beheert zijn schepping en zijn volk met barmhartigheid en rechtvaardigheid. "God de Heer is een barmhartige en medelijdende God" (Ex 34,6). Dat is het antwoord op die afvallige liturgie rond het gouden kalf. Hij, die groot is in liefde en trouw, die goedheid bewijst aan duizenden, die misdaden, overtredingen en zonden vergeeft, Hij is de Heer voor wie Mozes op de knieën neerviel en zich nog dieper neerboog: "Vergeef toch onze misdaden en zonden, beschouw ons als uw eigen bezit" (Ex 34,9).

In de uitwerking van de parabel komt dat uitvoerig aan de orde. Daar gaat het niet over de barmhartigheid, maar over het oordeel. Het laatste oordeel, de oogst, zegt Jezus, als uitleg van de parabel. Daar gaat het over het einde van de wereld. Die oogst is geen bijltjesdag, in termen van de Tweede Wereldoorlog gesproken. Die oogst is niet de dag die wij voor ogen hebben, die oogst is niet de dag in die zin dat wij onze vijand er eens eventjes van laten lusten, het is niet de dag waarop wij leedvermaak zullen hebben als een moeilijk medemens ook eens onderuit gaat, of dat wij wraak nemen. Nee, díe oogstdag is het einde van de wereld. Dat betekent: als dáár, op die dag, alle oordeel is geconcentreerd, dan is er daarvoor en daarbuiten geen plaats voor oordeel. Geen oordeel hier en nu, geen oordeel straks of later, geen oordeel, nooit en te nimmer. Want het oordeel van de Schrift, het oordeel waar Jezus het over heeft, is het laatste oordeel én het is een Godsoordeel, niet het oordeel van mensen. Dat oordeel van God valt helemaal buiten de grenspalen van de geschiedenis. We kunnen onze wraakplannen dus wel vergeten. Moeten we dat onkruid uitroeien? Korte metten maken met die vijanden? En wat te denken van onze verzuchtingen: wanneer komt er eens een einde aan? Nee, zegt Jezus, laat maar: "Laat beide samen opgroeien tot de oogst" (Mt 13,30). We moeten het dulden. Eindeloos dulden met het geduld van God. Het onduldbare dulden en daarbij ons hart tot vrede stemmen. Het oordeel is iets dat kómt, maar nú zegeviert de barmhartigheid, want God is genadig, en eindeloos geduldig. En Hij legt ons op hetzelfde te doen, zodat wij een parabel wórden van dat onkruid en de tarwe. Laat beide samen opgroeien tot de oogst, zodat de mensen aan ons kunnen zien hoe het goddelijk geduld doorgaat in de geschiedenis.

Goddelijk geduld opbrengen. Daarvoor dient de eucharistie! We gaan binnen in deze tent van samenkomst met onze wraakgevoelens, met ons ongeduld en wij komen eruit met gevoelens van geduld, gevoelens van vergevingsgezindheid en barmhartigheid, gevoelens van laten, van 'laat maar'. Een mooi voorbeeld van dat geduldig laten is de zalige Titus Brandsma. Er kwam, tussen de vele medegevangenen die vervuld waren van haat en wraakgevoelens, bij hem nooit een onvertogen woord tegen de vijand over de lippen. Hij duldde, hij droeg. Hij droeg met het geduld van God.