Heilige Ignatius van Loyola, priester
(eigen lezingen)
Eerste lezing: 1 Korintiërs 10,31-11,1
Evangelie: Lucas 14,25-33
Inleiding
Als je de Gesù (kerk in Rome) binnentreedt, zie je boven het hoofdaltaar, heel hoog boven alles uitgeheven, een standbeeld van Ignatius. De mensen van deze tijd zeggen: moet dat nu zo hoog? Maar wij weten en dat wisten de makers van het beeld en de tijdgenoten ook maar al te goed, dat de hoogte van de verheffing een weerspiegeling is van de diepte van de vernedering. Hij heeft zichzelf ten diepste vernederd en is steeds uit die vernedering door God omhoog geheven. Geen zelfverheffing, maar Godverheffing.
Belijden wij dan onze schuld, dat wij met zoveel mindere gaven ons zoveel meer hebben verheven, om deze heilige Geheimen goed te kunnen vieren.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
Toen talloze mensen met Jezus meetrokken,
keerde Hij Zich om en zei tot hen:
Als iemand naar Mij toekomt,
die zijn vader en moeder, zijn vrouw en kinderen,
zijn broers en zusters,
ja zelfs zijn eigen leven niet haat,
kan hij mijn leerling niet zijn.
Als iemand zijn kruis niet draagt en Mij volgt,
kan hij mijn leerling niet zijn.
Als iemand van u een toren wil bouwen,
zal hij dan niet eerst
ervoor gaan zitten om een begroting te maken
of hij wel genoeg bezit om hem te voltooien?
Anders zou het hem kunnen overkomen,
- als hij de fundering heeft gelegd
en niet in staat is het werk tot een einde te brengen -
dat allen die het zien hem gaan bespotten en zeggen:
Die man begon te bouwen,
maar hij was niet in staat het einde te halen.
Of welke koning zal,
- als hij tegen een andere koning ten oorlog wil trekken -
niet eerst overleggen of hij sterk genoeg is
om met tienduizend man het hoofd te bieden
aan iemand die met twintigduizend man
tegen hem optrekt?
Zo niet,
dan stuurt hij, als de tegenstander nog ver weg is,
een gezantschap en vraagt om de vredesvoorwaarden.
Zo kan niemand van u mijn leerling zijn,
als hij zich niet losmaakt van al wat hij bezit.
Homilie
Toen talloze mensen met Jezus meetrokken." Dat moet voor een leider een geweldig moment zijn, als hij merkt dat de massa gepakt wordt, dat er een vonk overspringt, dat hij de harten weet te raken. "Toen talloze mensen met Jezus meetrokken." Een volksbeweging rond Jezus. Het is zoiets wat wij in het verleden hebben meegemaakt toen ons geloof heel de maatschappij binnendrong, heel het maatschappelijke leven bezielde. Een volks katholicisme, waarin de Geest van Jezus, de Geest van het evangelie, een volksgroep binnengaat via de instellingen, via het sociale milieu waarin de mens opgroeit, via het gezin waar hij het menszijn inoefent. Een volks katholicisme dat ook doordringt in de verschillende maatschappelijke instellingen zoals scholen, ziekenhuizen, universiteiten, vakbeweging, radio, televisie, dat is een geweldige genade.
Maar als leiders meemaken dat zo het hele volk achter hen aanloopt, is dat ook een grote verleiding. Wanneer leider en volk zo één geheel uitmaken, dat ze als het ware met elkaar versmolten zijn, is het gevaar groot, dat de leider geen leider meer is, dat hij niet meer voorop gaat, dat er geen afstand meer is tussen de leider en het volk, dat het volk de leider als het ware assimileert, annexeert en dat de leider afhankelijk wordt van de volksgenoot. De leider wordt gedragen in plaats dat hij zelf draagt. Dan leidt het volk in plaats dat de leider leidt. De beweging moet gaande gehouden worden, de leider moet inspelen op wat het volk wil. Maar tegelijkertijd is het ook een verleiding voor de enkelingen binnen het volk, zich te laten dragen door de massa. We zijn met velen, je hoeft niet zelf te kiezen. De massa is euforisch, de massa is edelmoedig, de massa blaakt van vurigheid, van goede wil en moed, maar wankelt als het getij keert. Even massaal als men eerst de Kerk is binnengegaan, keert men nu de Kerk de rug toe. Als het visioen verdwijnt, verwildert het volk.
Jezus heeft ervan geweten. Eerst bejubelden ze Hem: "Hosanna, en toen: kruisig Hem". De mensen die Hem volgden, met Hem meetrokken, zijn nog geen volgelingen. Ze trekken mee, ze lopen mee, het zijn meer meelopers. Om nu van die meelopers volgelingen te maken, daarom keert Jezus Zich om. "Toen talloze mensen met Jezus meetrokken, keerde Hij Zich om." Blijkbaar liep Jezus voor hen uit. Jezus is een echte leider. Hij bewaart afstand, Hij gaat niet op in de massa. Jezus neemt afstand en in zijn woord tot degenen die met Hem meetrokken, doet Hij een beroep op de kracht van de Geest. Dat is de kracht van God die een mens in staat stelt zichzelf te overwinnen, zich los te maken, zich te onthechten, te kiezen tegen zijn eigen wil in. Jezus toetst de mensen niet op hun enthousiasme voor Hem, op de persoon van de Leider, maar Hij toetst de mensen op hun enthousiasme voor de Vader, de Vader van de Leider. Als ze zich aan de Vader hechten, zijn ze onthecht aan alles. Dan zijn ze onthecht aan alles wat tussen hen en de Leider instaat. Dan pas kan Jezus hen meenemen in zijn beweging naar de Vader toe. De Jezus-beweging, de Kerk, is een Vader-beweging.
Dat was de weg die Ignatius ook zelf bewandelde. In gezelschap zag je hem gemakkelijk over het hoofd. Hij viel niet op en je zou in hem al helemaal niet de leider van de gemeenschap vermoeden. Hij hield zich op de achtergrond. De beschrijving van iemand die hem van op een afstand gade sloeg: 'een Spanjaard, klein van stuk, die een beetje hinkt en zulke blijde ogen heeft.' Die kleinheid en die blijheid horen bij zijn geestelijke gestalte. Eens zag Ignatius tussen de jonge novicen die in Rome in het noviciaat waren, een Vlaming die zo hartelijk kon lachen, zo aanstekelijk, dat Ignatius hem even terzijde nam en hem eens aankeek en zei: 'Frans, ik hoop dat je je hele leven die blijheid mag behouden. Maar weet je wat je daarvoor moet doen? Wees nederig, heb een klein gevoel van jezelf.' Frans Koster, zo heette die man, is altijd een blij iemand gebleven. Als je nederig bent, ben je bereid alles los te laten en kan niets je bedroeven, want wat je blij maakt, is niet hier, wat je blij maakt, is je schat in de hemel, dat is de Vader. Op Hem ben je gericht en Hij van zijn kant is met zijn schat, met zijn liefde, met zijn Zoon op ons gericht.