Eerste lezing: Leviticus 23,1.4-11.15-16.27.34b-37
Evangelie: Matteüs 13,54-58
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd begaf Jezus Zich naar zijn vaderstad
en onderwees hen in hun synagoge, zodat ze verbaasd zeiden:
Waar heeft Hij die wijsheid vandaan
en de macht om wonderen te doen?
Is Hij niet de zoon van de timmerman?
Heet zijn moeder niet Maria
en zijn broeders Jakobus, Jozef, Simon en Judas?
Wonen zijn zusters niet allen bij ons?
Waar heeft Hij dat alles vandaan?
En zij namen er aanstoot aan.
Maar Jezus sprak tot hen:
Een profeet wordt overal geëerd
behalve in zijn eigen stad en in zijn eigen kring.
En wegens hun ongeloof deed Hij daar niet veel wonderen.
Homilie
In de eerste lezing gaat het over het oude volk van God, zijn eersteling. Het was echt een volk van God. Goddelijke handelingen, goddelijke woorden, goddelijke tijden, steeds aangemerkt met het woord 'heilig'. Heilig betekent afgezonderd voor God. Heilige dagen waren er, de eerste dag is heilig, de zevende dag is heilig; heilige handelingen waren er, de eerste schoof van de oogst is heilig. "Staande voor de Heer, zondert hij deze af als aandeel van de priester" (Lev 14,24). De tiende dag van de zevende maand is de dag van verzoening. Dat is een heilige dag (vgl Lev 23). En zo gaat het maar door. Het volk van God was vol van God. Heilige wetten, heilige dagen, heilige tijden, heilige gebruiken. Het was een soort kloostervolk.
Nu kan dat twee kanten op: of het gewone, politieke, sociale, economische leven, het leven van alle dag, wordt doordrongen van het heilige, heel het bestaan wordt heilig en geheiligd tot het menselijke hart toe, en daar gaat het eigenlijk om. Dan worden mensen de armen van de Heer, zoals Maria en Simeon en Zacharias, Elisabeth en Anna. Of het gaat de andere kant uit. Het heilige wordt gewoon, het heilige wordt geannexeerd. Men is niet meer gevoelig voor het appèl dat er van het heilige uitgaat. Het heilige wordt zelf ook wereld.
Nu is het natuurlijk niet uitdrukkelijk een of-of situatie, maar om te voorkomen dat we ons het heilige toe-eigenen, daarvoor dient de evangelielezing van vandaag, want daar zien we voor onze ogen gebeuren hoe het heilige, dé Heilige met zijn woorden, met zijn onderricht, met zijn handelingen, met zijn wonderen doordringt, een appèl doet op de mensen van Jezus' vaderstad, Nazaret. Ze stellen Hem de vraag: "Waar heeft Hij die wijsheid vandaan en de macht om wonderen te doen? Waar heeft Hij dat alles vandaan?"
Kijk, dat is nu de vraag die wij altijd allemaal moeten stellen. Luisteren waar het vandaan komt, naar de oorsprong. Waar de woorden en de daden, waar het gebeuren, de bewegingen waarin wij zijn opgenomen, vandaan komen. Dus niet zeggen: dat ervaar ik zo, daarom ga ik erin mee. Of: dat denk ik zo en dus doe ik dat naar mijn inzicht, op grond van argumenten die mijn verstand aanspreken. Maar je moet bij alles wat je voelt en wat er om je heen gebeurt en wat anderen zeggen, je afvragen: waar komt het vandaan? Van God of van de mensen, van de menselijke natuur of van de tegengeest.
Het is de toon die de muziek bepaalt. Het is de Geest die de muziek bepaalt. Is het van aardse oorsprong of van hemelse? Alleen al het stellen van zo'n vraag suggereert dat ze vlak bij het goede antwoord zijn. Het komt niet van de mensen, daar waren ze wel achter. Waar heeft Hij 't dan vandaan? Het moet wel van God komen. Zij merken in wat Jezus zegt en doet, iets van God. God is de Gever van Jezus' onderricht. Wie heeft Hem die wijsheid geschonken? "Wat is dat voor een wijsheid die Hem is geschonken?"
In Jezus' woord en daad breekt een andere wereld door: het heilige dringt binnen in de wereld van het aardse en onheilige. Maar als ze merken hoe het gebeuren zich voordoet en greep dreigt te krijgen op hun harten, wijzen ze het af: 'dat kan toch niet! Hij is de zoon van de timmerman, die Jezus van Maria en Jozef, die weten we toch precies te wonen. Dat is er gewoon één van ons. Wat moet Hij ons vertellen? Wat verbeeldt Hij Zich wel! We hoeven ons door Hem niets wijs te laten maken.' En zo slaat het geloof om in ongeloof.
Hieraan kunnen we zien dat het moeilijk is om door te gaan met geloven als het heilige, de Heilige, je zo nabij komt. Daaraan kunnen we zien hoe groot het geloof van Jozef en Maria is geweest. Hun geloof komt des te beter uit tegen de achtergrond van het ongeloof van de bloedverwanten. Hoe dichter God nadert, des te groter de bekoring om niet te geloven, om Hem in te passen in de eigen wijsheid in plaats van de eigen wijsheid in te passen in de wijsheid van God. Het geloof van Maria is volmaakt, want nooit naderde God dichter tot de mens dan bij haar. God heeft Zich aangepast, God heeft Zich ingepast en zij ergerde zich niet. Zij nam er geen aanstoot aan, wat haar stadgenoten wel deden. Evenmin als sint Jozef.
Evenzo is het voor ons een voor de hand liggende bekoring om God alleen te geloven als Hij ver is, als Hij hoogverheven is, als Hij grote tekenen doet vanuit de hemel. "Meester, wij willen een teken van U zien" (Mt 12,38). Geef ons een teken uit de hemel, iets buitengewoons. Als de Heilige Zich aftekent tegen het alledaagse, tegen het gewone, dan willen we wel geloven. Visioenen, verschijningen, voorspellingen, woorden uit de hemel. Maar het gewone, zoals de heilige eucharistie, die zozeer gewoon is geworden, of zoals de rozenkrans, nee. Het zou een woord van Maria zijn: 'Als u moest kiezen tussen de heilige eucharistie en een verschijning van Mij uit de hemel, kies dan voor de eucharistie.' Dát is het heilige in het gewone, alledaagse leven van de Kerk. Het wordt zo gemakkelijk versleten pasmunt, maar het is de opgave van het geloof om in dat saaie, dat gewone, dat steeds weer terugkerende woord van God, de heilige Geest, de kracht van God, op te vangen en over te nemen.