Eerste lezing: Jeremia 23,5-8
Evangelie: Matteüs 1, 18-24
Inleiding
Laat het maar komen, we moeten het niet zelf willen maken. Onze gerechtigheid is een gerechtig gemáákt worden. Ons heil, onze redding is niet een onszelf redden, maar ons onze verlorenheid bewust maken, om ons zo ontvankelijk te maken voor het reddingsinitiatief van Gods kant. Onze redding is een gered wórden. Als er gered moet worden, dan moet er ook iets te redden zijn, iets wat blijkbaar reddeloos verloren is. Dáár staan wij nu. Zonder onze redder reddeloos verloren, om ons zonder meer over te geven aan zijn redding. Om de uitgestoken hand te grijpen, om ons uit onze verlorenheid op te laten halen.
Om deze heilige Geheimen goed te kunnen vieren, belijden wij eerst onze schuld.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
De geboorte van Jezus Christus
vond plaats op deze wijze:
Toen zijn moeder Maria verloofd was met Jozef
bleek zij, voordat ze gingen samenwonen,
zwanger van de heilige Geest.
Omdat Jozef, haar man, rechtschapen was
en haar niet in opspraak wilde brengen,
dacht hij er over in stilte van haar te scheiden.
Terwijl hij dit overwoog,
verscheen hem in een droom
een engel van de Heer die tot hem sprak:
Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen;
het kind in haar schoot is van de heilige Geest.
Zij zal een zoon ter wereld brengen
die gij Jezus moet noemen,
want Hij zal zijn volk redden uit hun zonden.
Dit alles is geschied,
opdat vervuld zou worden wat de Heer gesproken heeft
door de profeet, die zegt:
Zie, de maagd zal zwanger worden
en een zoon ter wereld brengen,
en men zal Hem de naam Immanuël geven.
Dat is in vertaling: God met ons.
Ontwaakt uit de slaap deed Jozef
zoals de engel van de Heer hem bevolen had
en nam zijn vrouw tot zich.
Homilie
Over een paar dagen is het Kerstmis. Het is vlakbij. In de lezingen mogen we dan ook stil staan bij degenen die dit van nabij hebben meegemaakt. Niet meer Jesaja, niet meer Johannes de Doper, maar Jozef en de laatste dagen ook Maria. Een heel intiem gebeuren vandaag, zo intiem dat wij ons bijna gegeneerd voelen het te horen en te lezen. Maar de evangelist wil ons niet zozeer de intieme geschiedenis van de heilige Familie tonen, hij wil vooral laten zien dat elk detail in dit verhaal de bedoeling heeft Jozef in te voegen in de heilige geschiedenis van het volk van God, in de intimiteit die God wil hebben met zijn volk en zo met ieder van ons, die deel uitmaken van zijn volk.
De Jozef in het Oude Verbond was een dromer. En dus is de Jozef die staat aan de wieg van het Nieuwe Testament ook een dromer. Hij moet dromen hebben. En er moet hem een engel verschijnen om aan te geven dat Jozefs denken en doen een hemelse inspiratie heeft. Dat het Gods vaderlijke plan is dat hij in menselijke daden omzet en uitvoert. Het is niet iets van Jozef zelf, hij is een instrument in de hand van Vader-God. Het is dus niet zozeer de interne en intieme geschiedenis van een aardse familie die verhaald wordt, maar de interne en intieme geschiedenis van God met zijn volk. God met ons, Emmanuël. Dat was in het Oude Verbond een profetische naam voor koning Ezechias, die God heeft vastgesteld als een levend teken van zijn verbondstrouw. Een koning, een gezalfde. Maar vandaag wordt de eigenlijke betekenis van die profetie duidelijk. Het gaat niet om zomaar een koning, een gezalfde, maar om Jezus die dé Gezalfde is, de Gezalfde van de heilige Geest, de eniggeboren Zoon van God.
Een kind, een zoon of een dochter, vertegenwoordigt naar het wezen van zijn kind-zijn, van zijn zoon- of dochter-zijn, het blijvende vaderschap en moederschap van de ouders. Ouders en kinderen zijn daardoor met elkaar verbonden, ze hebben hetzelfde bloed, hetzelfde leven, hetzelfde hart, dezelfde geest. Het is toch ook de Geest, de heilige Geest die in ons spreekt, die ons doet uitroepen: "Abba, Vader. Het is niet slechts beeldspraak wanneer wij zeggen: een kind van God. Nee, zegt sint Jan, "wij worden niet alleen kinderen van God genoemd, maar we zijn het ook"' Wat God voor zijn eigen Zoon voelt, dat voelt Hij voor ieder van ons. In Jezus worden wij opgenomen in de intieme liefde van God, in zijn heilige Geest.
Kerstmis mag dan een intiem feest zijn, een huiselijk feest, een feest van menselijke verbondenheid, maar het is dat niet allereerst. Het is niet in de eerste plaats een feest van vrede op aarde tussen mensen, het is allereerst een feest van de vrede van God met de mensen. Glorie van God in den hoge en op aarde vrede voor mensen van goede wil, zeiden wij vroeger. Maar nu zeggen wij: voor mensen van zijn welbehagen, voor mensen aan wie Hij goed wil doen, die Hij een goed hart toedraagt, die Hij door zijn Zoon Jezus in zijn vaderlijk hart heeft opgenomen en blijft opnemen.
Daarmee krijgt Jozef voeling. Hij, de dromer, die als het ware eerst buiten zijn gewone, actuele menselijke bewustzijn moet worden gebracht, om te kunnen komen tot het bewustzijn van wat nooit gedacht, door mensen niet te bedenken is, maar is opgekomen in het hart van God. Jozef dankt het ook niet aan zijn eigen gerechtigheid. Hij doet de wil van God, niet zijn eigen wil. Hij wikte en woog. "Zij bleek voor zij gingen samenwonen zwanger van de heilige Geest en omdat Jozef haar man rechtschapen was en haar niet in opspraak wilde brengen, dacht hij erover in stilte van haar te scheiden." Dat zijn rechtschapen, menselijke gedachten. Maar we zijn niet geroepen om uitsluitend menselijk rechtschapen te leven. Dan blijven we nog opgesloten binnen onze gewone menselijke plannen en reikwijdtes en horizon, dan blijft de hemel nog dicht. Maar wij mogen hier op aarde de wil van God in de hemel laten geschieden: "Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel." Dat God Vader mag zijn, niet alleen van ons, zijn kinderen, maar dat Hij ook Vader mag zijn van onze wilsbesluiten. Dat die aan een goddelijke bron mogen ontspringen en zo Gods heilige Geest als waarmerk mogen dragen.