Dinsdag in de achttiende week
      van het even jaar
Eerste lezing: Jeremia 30,1-2.12-15.18-22  
Evangelie: Matteüs 14,22-36


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

Na de broodvermenigvuldiging dwong Jezus zijn leerlingen
in de boot te gaan en alvast naar de overkant te varen,
terwijl Hij het volk naar huis zou zenden.
Toen Hij het volk had weggezonden,
ging Hij de berg op om in afzondering te bidden.
De avond viel en Hij was daar alleen.
De boot was reeds vele stadiën uit de kust
en werd geteisterd door de golven,
want zij hadden tegenwind.
In de vierde nachtwake
kwam Hij te voet over het meer naar hen toe.
Maar toen de leerlingen Hem zo over het meer zagen gaan,
raakten zij van streek omdat zij een spook meenden te zien
en zij begonnen van angst te schreeuwen.
Maar Jezus zei onmiddellijk tot hen:
“Weest gerust. Ik ben het. Vreest niet.”
“Heer - antwoordde Petrus - als Gij het zijt,
zeg mij dan dat ik over het water naar U toe moet komen.”
Waarop Jezus sprak:
“Kom!”
Petrus stapte uit de boot en liep over het water naar Jezus toe.
Maar toen hij merkte hoe hevig de wind was, werd hij bang;
hij begon te zinken en schreeuwde:
“Heer, red mij!”
Terstond stak Jezus zijn hand uit
en greep hem vast, terwijl hij tot hem zei:
“Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?”
Nadat zij in de boot gestapt waren, ging de wind liggen.
De inzittenden wierpen zich voor Hem neer en zeiden:
“Waarlijk. Gij zijt de Zoon van God.”
Toen zij overgestoken waren
bereikten zij de kust bij Gennésaret.
Toen de mannen van die streek Hem herkenden,
verspreidden zij in heel de omtrek het bericht van zijn komst
en brachten Hem al hun zieken.
Ze smeekten Hem
of ze tenminste de zoom van zijn kleed mochten aanraken.
En allen die dit deden, werden gezond.

Homilie  

We hebben zojuist twee lezingen gehoord die hetzelfde ritme hebben. In de eerste lezing: "Uw kwaal is ongeneeslijk, uw wonden zijn niet te helen.” En: “Ik herstel de tenten van Jakob … Ik laat hem tot Mij komen, Hij mag tot Mij naderen … Gij zult mijn volk en Ik zal uw God zijn.” En in het evangelie: “De avond viel.” Duisternis. “De boot was reeds vele stadiën uit de kust, en werd geteisterd door de golven, want ze hadden tegenwind.” Vervolgens: “In de vierde nachtwake kwam Jezus te voet over het meer naar hen toe.” Hij zei, toen zij angstig begonnen te worden: “Weest gerust, Ik ben het. Vreest niet.” En dan nog eens binnen datzelfde verhaal, toen Petrus riep: “Heer, red mij,” nadat hij begon te zinken en bang werd: “Terstond stak Jezus zijn hand uit, greep hem vast en zei: Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?"

Waarom eigenlijk al die verhalen? Als we het kort samenvatten, zien we dat het ritme dat ons christelijke leven beheerst, dood en verrijzenis is; dan hebben wij eigenlijk al die verhalen niet nodig. Het zou kort kunnen. Dat wisten de mensen in het Oude en Nieuwe Verbond, die dit alles overkomen is, ook wel; de leerlingen samen wisten het, Petrus alleen wist het, maar zij wisten het alleen met hun verstand. Ze wisten het niet met hun hart, het was niet als geloofszekerheid diep in hun hart verankerd, en zij konden het alleen maar leren in de concreetheid van de beproeving, in het gebeuren, in de storm van het leven. Daar zien de mensen natuurlijk tegenop, zoals de leerlingen er tegenop zagen om in de boot te gaan. "Jezus dwong zijn leerlingen in de boot te gaan." Hij moest hen dwingen, ze wilden blijven steken in wat hun daarvoor was overkomen, de verzadiging van de broodvermenigvuldiging, of misschien voorvoelden ze de storm en wilden ze daarom niet in de boot stappen. Dat hebben mensen soms ook tegen het einde van een retraite: straks begint het weer, het volle leven, de stormen van het bestaan. En inderdaad, ze hádden tegenwind: "De boot werd geteisterd door de golven … Ze begonnen van angst te schreeuwen."

Herkenbaar? Ja, misschien is het nog wel niet zo erg, maar zelfs al is het zo erg, dan nog zegt Jezus: "Weest gerust, Ik ben het. Vreest niet." Die woorden zijn een beetje stijlvol, zoals in de liturgie de kleding, de zang, de versiering, de gebruiksvoorwerpen stijlvol zijn, maar ze zijn echt. Jezus drukt Zich misschien niet zo uit zoals wij het zouden zeggen, een beetje ingehouden, een beetje gestileerd, beschaafd, maar zijn woorden zijn wel echt. Hoe zouden wij het dan zeggen? Heel gewoon: 'Wees maar niet bang, Ik ben het.'
En wat is de reden dat je niet bang hoeft te zijn? "Ik ben het," en dat is niet het 'ik' van de predikant, dat begrijpt u ook wel, maar dat is het 'Ik' van Jezus. Jezus staat hier in zijn woord in levende lijve voor u, alleen Hij kan onze angst bezweren. Zijn 'Ik' is niet het 'ik' van een gewone mens, maar zijn 'Ik' is het 'Ik' van God. Door Jezus is God met zijn 'Ik', met zijn 'Ik ben', 'Ik ben het', levend onder ons tegenwoordig. Hij is in onze storm aanwezig.

Dat het inderdaad God is die hier zelf levend onder ons tegenwoordig is, kunnen we zien aan het feit dat Hij te voet over het meer naar hen toe loopt. Hij wordt niet geraakt door de moeilijkheden van het leven, Hij stijgt daar bovenuit. Petrus wilde het ook proberen: "Heer, als Gij het zijt, zeg dan dat ik over het water naar U toe moet komen.” “Kom," sprak Jezus, 'toe maar', en hij ging, maar hij zonk. Maar Jezus had hem toch gezegd te komen? Jawel, maar hij was maar een mens en geloofde niet voldoende in God, daarom zakte hij door het water heen.
Zoveel geloof moet je dus hebben dat, als je door de storm gaat, je niet bang bent. Als midden in het leven de storm hevig is, klinkt zijn stem: 'Ik ben er. Dit is mijn Lichaam voor u. Ik ben er voor u.'

We laten ons opnieuw in dat ritme opnemen, maar u moet dan wel beginnen met waarmee dit ritme altijd begint: bij uw eigen storm, bij de moeilijkheden van het leven, met uw eigen, normale gevoelens daarbij. Gevoelens van angst, van er tegenop zien, van 'het wordt nooit iets', om u dan in de volgende fase van het ritme te laten opnemen: "Ik ben het.” 'Hier ben Ik voor u.' "Ik zal uw God zijn en gij zult mijn volk zijn."