Eerste lezing: Jeremia 31,31-34
Evangelie: Matteüs 16,13-23
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
Toen Jezus in de streek van Caesarea van Filippus gekomen was,
stelde Hij zijn leerlingen deze vraag:
Wie is, volgens de opvatting van de mensen,
de Mensenzoon?
Zij antwoordden:
Sommigen zeggen Johannes de Doper, anderen Elia,
weer anderen Jeremia of een van de profeten.
Maar gij - sprak Hij tot hen - wie zegt gij dat Ik ben?
Simon Petrus antwoordde:
Gij zijt de Christus,
de Zoon van de levende God.
Jezus hernam:
Zalig zijt gij Simon, zoon van Jona,
want niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard
maar mijn Vader die in de hemel is.
Op mijn beurt zeg ik u:
Gij zijt Petrus;
en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen
en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen.
Ik zal u de sleutels geven van het Rijk der hemelen
en wat gij zult binden op aarde,
zal ook in de hemel gebonden zijn
en wat gij zult ontbinden op aarde,
zal ook in de hemel ontbonden zijn.
Daarop verbood Hij zijn leerlingen nadrukkelijk
iemand te zeggen, dat Hij de Christus was.
Van dat ogenblik af begon Jezus zijn leerlingen duidelijk te maken
dat Hij naar Jeruzalem moest gaan;
dat Hij daar veel zou moeten lijden van de oudsten,
de hogepriesters en de schriftgeleerden,
maar dat Hij, na ter dood gebracht te zijn
op de derde dag zou verrijzen.
Toen nam Petrus Jezus ter zijde
en begon Hem ernstig daarover te onderhouden:
Dat verhoede God, Heer!
Zo iets mag U nooit overkomen!
Maar Hij keerde Zich om en zei tot Petrus:
Ga weg, satan, terug!
Gij zijt Mij een aanstoot,
want gij laat u leiden door menselijke overwegingen
en niet door wat God wil.
Homilie
Wat een tegenstelling! De Christus, de Zoon van de levende God, in wie God hier levend voor mij staat én veel lijden, overgeleverd aan de overheden, ter dood gebracht. "Dat verhoede God, Heer! Zo iets mag U nooit overkomen!" Petrus wil het beter weten dan Jezus. Hij wil de grote God niet zien in het kleine; de grote God niet erkennen in de kleine Jezus met zijn smadelijk einde. Hij wil de grote God niet zien in de erbarming die Hij heeft met dat kleine, weerspannige volk. De mensen hebben oog voor het grote en ze verdringen het kleine. Maar het is ook haast niet te geloven dat de grote God Zich zo inlaat met kleine mensen, van wie Hij de misstappen dan ook nog eens vergeeft. Eigenlijk zijn het mensen van niks, en toch: "Ik vergeef hun misstappen."
Wil de mens dat kunnen geloven, dan moet hij wel boven zichzelf worden uitgetild, want dat kan hij niet uit zichzelf, dat brengt hij niet op. Dat zegt Jezus dan ook: zo'n belijdenis, Petrus, heb je niet van jezelf, dat moet je zijn ingegeven door God: "Niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemel is."
Dat heeft Jezus gezegd, maar het was aan dovemans oren gezegd, want Petrus heeft zich onmiddellijk toegeëigend wat hem door de heilige Geest werd aangereikt, waardoor hij boven zichzelf werd uitgetild. Want als Jezus zegt: de Christus, de Zoon van de levende God, moet veel lijden, dan moet hij dat wat hij van de levende Christus, in wie God levend voor hem staat, beaamt, ook bevestigen van de dode, van iemand die helemaal niets meer is. Dan moet hij bevestigen dat Gods erbarmen doorgaat, en dat kan er bij hem niet in. En waarom kan het er bij hem niet in? Omdat hij daarmee moet erkennen en aanvaarden dat hij een zwak mens is, dodelijk zwak, en dat hij er niet omheen kan deze zwakheid aan te nemen. Daarom verdringt hij zijn eigen kleinheid, zijn eigen nietigheid, zoals hij dat ook zal doen bij de voetwassing: "Nooit in der eeuwigheid zult Gij mij de voeten wassen (Joh 13,8), en nog eens bij de verloochening: Al moest ik met U sterven, in geen geval zal ik U verloochenen" (Mt 26,35; vgl. Mc 14,31). Hij voelt zich daar gewoon te groot voor. Hij denkt dat hij uit eigen kracht zijn Meester trouw zal blijven, tot in de dood. "Al moest ik met U sterven, in geen geval zal ik U verloochenen" (Mt 26,35). Hij springt over zijn zwakheid heen, hij verdringt zijn zwakheid en laat zich wat God van hem vraagt: Hem trouw blijven tot in de dood, niet door God geven. Hij meent dat op eigen kracht te kunnen opbrengen. Hij verdringt die dodelijke zwakheid als onverdraaglijk, maar wordt er daardoor juist het slachtoffer van. Alleen in geloof, door de kracht van God én met de erkenning van zijn eigen zwakheid, kan Hij de 'kleine weg' van Jezus aanvaarden.
Zien we dat ook niet gebeuren met alles wat ons in de kerk wordt geopenbaard? Jezus zegt tegen Petrus: "Op deze steenrots zal Ik mijn kerk bouwen en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen." Dat wat de heilige Geest aan Petrus heeft geopenbaard, wordt in de kerk, met al het andere, óók door de heilige Geest geopenbaard. Het is een blijvend bezit van de kerk geworden. 'Let niet op onze zonden, maar op het geloof van de kerk.' Als de kerk iets vraagt, wordt het onfeilbaar verhoord. Wij geloven in het eeuwige leven, wij geloven in God de almachtige Vader. Dat is de kerk gegéven, maar wij wéten het door de heilige Geest.
We verdringen onze zwakheid, onze nietigheid. We nemen die niet aan. We belijden dat we geloven in het eeuwige leven, maar wil dat geloof voor ons werkelijkheid worden, dan moeten we eerst onze dood aanvaarden. Wij geloven dat Jezus hier, in de viering van de eucharistie, werkelijk tegenwoordig is, maar is dat geloof voor ons ook werkelijkheid? Dat kan het alleen worden wanneer wij onze dood aanvaarden, wanneer wij ook met Jezus in het sterven staan. En laten we niet denken: dat komt ooit nog wel eens een keer, maar laat het nu werkelijkheid worden, dat ons leven zwak is, dat het onderworpen is aan de dood. Pas als we dat helemaal aanvaarden en zelfs omhelzen, is Jezus voor ons het levende brood. Het brood dat uit de hemel is neergedaald, om ons met barmhartige liefde aan te nemen en kracht te geven.