Gedaanteverandering van de Heer
(eigen lezingen)
Eerste lezing: Daniël 7,9-10.13-14 of: 2 Petrus 1,16-19
Evangelie: Marcus 9,2-10
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
In die tijd nam Jezus Petrus, Jakobus en Johannes met Zich mee
en bracht hen boven op een hoge berg,
waar zij geheel alleen waren.
Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd:
zijn kleed werd glanzend
en zó wit als geen volder ter wereld maken kan.
Elia verscheen hun samen met Mozes
en zij onderhielden zich met Jezus.
Petrus nam het woord en zei tot Jezus:
Rabbi, het is goed dat wij hier zijn.
Laten we drie tenten bouwen,
een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.
Hij wist niet goed wat hij zei,
want ze waren geheel verbluft.
Een wolk kwam hen overschaduwen
en uit die wolk klonk een stem:
Dit is mijn Zoon, de Welbeminde,
luistert naar Hem.
Toen ze rondkeken,
zagen ze plotseling niemand anders bij hen dan alleen Jezus.
Onder het afdalen van de berg
verbood Jezus hun aan iemand te vertellen wat ze gezien hadden,
voordat de Mensenzoon uit de doden zou zijn opgestaan.
Zij hielden het inderdaad voor zich,
al vroegen zij zich onder elkaar af,
wat dat opstaan uit de doden mocht betekenen.
Homilie
In die tijd
" Zo begint bijna elk evangelie dat in de Kerk wordt voorgelezen, maar dit keer moet erbij worden vermeld hoe die tijd precies is gelokaliseerd, namelijk: zes dagen later. Later? Na wat? Na woorden van vernedering. "Zes dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en Johannes met Zich mee en bracht hen boven op een hoge berg." Dat is een beeld van de verheffing. Zoals de berg zich uitheft boven het vlakke landschap, zo heft God Zich uit boven het gewone leven van de mensen. Zoals dat leven beneden in de vlakte zo glansloos eindigde in vernedering, in lijden en dood, zo zal datzelfde leven zich na de verheffing boven op de berg opnieuw aftekenen. "Onder het afdalen van de berg verbood Jezus hun aan iemand te vertellen wat zij gezien hadden voordat de Mensenzoon uit de doden zou zijn opgestaan." Dood ervoor, dood erna. En om dat te verwerken, om daarmee in het reine te komen, om dat een plaats te geven, dáárvoor dient deze verheffing boven op de berg.
"Waar zij geheel alleen waren." Dat is in de bijbel altijd: alleen met God. Dat betekent dat alle andere blikvangers, afleidende stemmen zwijgen en hun boeiende kracht opgeven. Alleen met God. Daar gebeurt dan ook iets wat God alleen kan. "Zijn kleed werd glanzend en zo wit als geen volder ter wereld maken kan." Zijn kleed werd wit, en niet gewoon wit, zonder kleuren, maar hemels wit, de witheid van God, stralend. Wit, de kleur van de verrijzenis. Twee mannen, Elia en Mozes, verschenen hun samen. Waarom nu juist deze twee? Omdat Jezus beneden in de vlakte aan zijn leerlingen voorspeld had dat Hij door de huidige leiders van het volk verworpen zou worden. Daarom is het nodig dat Hij in het gelijk wordt gesteld door díe leiders van het Godsvolk waaraan de huidige leiders hun gezag ontlenen, Elia, de grootste der profeten en Mozes, de afkondiger van de Wet. Kortom: Wet en profeten..
Het is een gebeuren zo onuitsprekelijk, zo boven alle mensenverstand uitgaande, dat Petrus niet anders dan wartaal kan spreken: "Hij wist niet goed wat hij zei. Hij was niet goed bij zijn verstand. Ze waren geheel verbluft." Zoals een mens doet als hij onder woorden probeert te brengen wat hij in het gebed, in het contact met God heeft beleefd. Hij kan ook alleen maar stamelen. Het eigenlijke is niet te zeggen, niet uit te spreken, God zelf raakt ons aan. Vandaar dat gelaat van Jezus. "Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd en ook zijn kleed werd glanzend." Hoezeer veranderde zijn gelaat? Hoe was zijn gelaat? Zijn gelaat was een weerspiegeling van het gelaat dat Hij aanschouwde. Zoals een zoon kan lijken op zijn vader, zo lijkt déze Zoon op zijn hemelse Vader, in glorie en glans.
Beneden in de vlakte: verwerping. Boven op de berg bevestigd door de ervaring van God. Dat is dan ook wat er met woorden gezegd wordt: "Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, luistert naar Hem." De woorden die Jezus spreekt, ook woorden van lijden en dood, zijn de woorden van God. Het is God die Hem zal overleveren aan lijden en dood, ook daar heeft Hij de hand in. Maar Hij zal Hem ten slotte ook uit de dood doen verrijzen. Voordat de Mensenzoon uit de doden zal zijn opgestaan, zal Hij zijn opgewekt door diezelfde Vader. De Vader is erbij, bij zijn Zoon in de heerlijkheid en bij zijn Zoon in de vernedering.
Dat wij deze ervaring ook aan ons mogen laten gebeuren, opdat wij de rest van ons leven, het leven beneden in de vlakte, vanuit die liefde zouden beleven en aan kunnen. Die God gaat met ons mee in nederigheid, in vernedering én in verheerlijking.