Woensdag in de achttiende week
       van het oneven jaar
          Kerkwijding van de Basiliek Maria de Meerdere


Eerste lezing: Numeri 13,1-2a.25-14,1.26-29.34-35  
Evangelie: Matteüs 15,21-28


Inleiding


In heel de Kerk wordt vandaag de gedachtenis van de kerkwijding van de basiliek Maria de Meerdere, Maria Maggiore, in Rome, gevierd. Onlangs hebben wij het feest gevierd van Jakobus major, de oudere, de eerste. Maria is niet de eerste in die zin dat ze de oudste is, maar de Kerk die aan haar is toegewijd is de wel oudste Mariakerk, de eerste Mariakerk. Er is geen betere titel, geen betere patrones voor een kerk te vinden dan Maria. Maria die zelf woonplaats is geweest van God. Nu biedt ze bescherming aan een ruimte, een kerkelijke ruimte, als woonplaats voor God. Dat roept iets op dat ze hetzelfde zal laten gebeuren bij de mensen, bij de gelovigen als wat zij in zichzelf heeft laten gebeuren. Zoveel eerbied, zoveel toewijding, zoveel heilige stilte.

Op het concilie van Efese werd Maria door de Kerk officieel de titel: 'Theótokos' toebedeeld, dat betekent: 'moeder van God'. Paus Sixtus III bouwde na het concilie van Efese de Maria Maggiore op de Esquileinse heuvel. Eeuwen later, aan het einde van het Tweede Vaticaans Concilie, verleende paus Paulus VI in diezelfde Kerk Maria officieel de titel: 'Moeder van de Kerk'. En de Kerk, dat zijn wij. Daarom is Maria, die de moeder is van God, ook de moeder van de mensen, mijn moeder.
Dat God bij de mensen is, dat is al een geweldig wonder van genade: de Vader bij de mensen, maar wij mogen nu ook nog de moeder van God ónze moeder noemen.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die dagen trok Jezus Zich terug naar de streek van Tyrus en Sidon.
Op een gegeven ogenblik
trad een Kananeese vrouw uit dat gebied naar voren,
luid roepend:
“Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David!
Mijn dochter is van een duivel bezeten
en wordt verschrikkelijk gekweld.”
Maar Hij gaf haar in het geheel geen antwoord.
Toen wendden zijn leerlingen zich tot Hem met het verzoek:
“Stuur die vrouw toch weg, want ze blijft ons achterna roepen.”
Hij antwoordde:
“Ik ben alleen maar tot de verloren schapen van het huis van Israël gezonden.”
Maar de vrouw kwam naderbij,
wierp zich voor zijn voeten neer en zei:
“Heer, help mij!”
Hij gaf haar ten antwoord:
“Het is niet goed het brood dat voor de kinderen bestemd is
aan de honden te geven.”
“Wel waar, Heer,” sprak zij,
“want de honden eten immers toch ook de kruimels
die van de tafel van hun meesters vallen.”
Daarop zei Jezus haar:
“Vrouw, ge hebt een groot geloof!
Uw verlangen wordt ingewilligd.”
En van dat ogenblik was haar dochter genezen.

Homilie

“In die dagen trok Jezus Zich terug naar de streek van Tyrus en Sidon."
Dan moet het wel heel erg geweest zijn, als Jezus Zich terugtrekt uit het Joodse land, uit het Joodse volk, en nog wel naar Tyrus en Sidon gaat, de aartsvijanden van Israël. Als Jezus wordt verworpen, komt Hij daar terecht. Tyrus en Sidon waren de steden ten noorden van Israël, van waaruit het heidendom, de afgodendienst, steeds weer vaste voet kreeg in Israël, doordat de dochters van de koningen van Israël huwden met de zonen van de koningen van Tyrus en Sidon. Tyrus en Sidon hadden leedvermaak als het Israël slecht ging. Zij vermaakten zich, wanneer delen van Israël in ballingschap werden weggevoerd, in de Assyrische ballingschap, in de Babylonische ballingschap. Zij plunderden het weerloos achtergebleven Jeruzalem. 'Honds' hebben Tyrus en Sidon de Israëlieten behandeld. En in dat gebied trok Jezus Zich terug. En een vrouw uit dat gebied trad Hem tegemoet. Geen wonder, dat de vrouw het heel gewoon schijnt te vinden dat deze Israëlieten haar afwijzen en zij zich niet persoonlijk gekwetst voelt, als Jezus haar geen woord waardig keurt: "Hij gaf haar in het geheel geen antwoord. Toen wendden de leerlingen zich tot Jezus met het verzoek: Stuur die vrouw toch weg, want ze blijft ons achterna roepen." Stuur haar toch weg, ze gaat een scène maken!

Maar de vrouw verootmoedigde zich voor Hem en noemt Hem 'Heer', de Godsnaam: "Heer help mij!” “Het is niet goed, het brood dat voor de kinderen bestemd is, aan de honden te geven." Maar de vrouw laat zich niet afwijzen. Haar geloof speelt de bal die haar werd toegeworpen, meesterlijk terug: honden? Inderdaad als honden, honds, hebben wij u, de Joden, behandeld, net wat U zegt, Heer, maar: "de honden eten toch immers toch ook de kruimels die van de tafel van hun meesters vallen." De vrouw neemt Jezus' taalgebruik over, zij laat het zich zeggen, dat van die honden, zij geeft toe en bekent schuld voor heel haar volk. Zij gaat niet op haar rechten staan. Zij laat geen aanspraak gelden, zoals de Joden, die tekenen eisen.

De Joden hadden het recht van kinderen, een hen door God gegeven recht, recht op het brood uit de hemel dat Jezus is. Maar toen zij dat recht gingen gebruiken om grenzen te stellen aan Gods barmhartigheid, ging Jezus met zijn barmhartigheid naar de heidenen. Doordat anderen aan de barmhartigheid een grens stellen, gaat Gods barmhartigheid over de grens heen, van de Joden naar de heidenen. Door ons geloof kunnen we God de grenzen doen verleggen. Dat deed Maria, toen zij in Kana door Jezus geconfronteerd werd met de grens waaraan Hij Zich gebonden had: "Nog is mijn uur niet gekomen.” Maar Maria bleef geloven: “Zij sprak tot de bedienden (dat zijn de mensen van de Kerk): doet maar wat Hij u zeggen zal" (Joh 2,4-5). En Jezus openbaarde, op de gelovige voorspraak van Maria, zijn heerlijkheid in het eerste teken. Hier, in dit evangelie, is het een andere grens: de grens tussen Israël en de heidenen, de grens van Jezus' jurisdictiegebied, van zijn geestelijk machtsgebied, tot hier en niet verder: "Ik ben alleen maar tot de verloren schapen van het huis van Israël gezonden.” Was Jezus dan ongehoorzaam? Hij was toch gezonden? Gezonden door de Vader, en was Hij ongehoorzaam aan de Vader toen Hij tot Maria zei: “Mijn uur is nog niet gekomen"?

Zijn uur is het uur van de Vader. Was Hij dan ongehoorzaam aan de Vader toen Hij toch op het verzoek van Maria inging? Nee, het was de Vader zelf die raakte aan het hart van Maria, en het is opnieuw de Vader die raakt aan het hart van de vrouw, zodat zij doorgaat met vragen. Jezus voelt in die vertrouwvol volhardende vraag de beweging van de heilige Geest, de vinger van Vaders rechterhand. Maar of het inderdaad de beweging van de heilige Geest is die Maria doet aandringen, en die de vrouw doet volharden in haar smeken, dat moet Jezus eerst op de proef stellen. Hij wijst net zo lang af, tot alleen een door de heilige Geest gemotiveerd mens nog kan doorgaan. De vrouw had een dochter die van de duivel bezeten was, maar zelf was zij ook bezeten, bezeten door een goede geest, de heilige Geest van geloof. En die heeft gewonnen: "Vrouw, ge hebt een groot geloof, uw verlangen is ingewilligd. En van dat ogenblik was haar dochter genezen."

De vrouw leert ons hoe wij moeten bidden: nederig en vertrouwvol. Zoals Dominicus bad: 'Heb medelijden, Heer, met mij, arme zondaar.' Hij bad dat plat ter aarde uitgestrekt, met het gezicht op de grond.