Eerste lezing: Numeri 12,1-13  
Evangelie: Matteüs 14,22-36


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

Na de broodvermenigvuldiging dwong Jezus zijn leerlingen
in de boot te gaan en alvast naar de overkant te varen,
terwijl Hij het volk naar huis zou zenden.
Toen Hij het volk had weggezonden,
ging Hij de berg op om in afzondering te bidden.
De avond viel en Hij was daar alleen.
De boot was reeds vele stadiën uit de kust
en werd geteisterd door de golven,
want zij hadden tegenwind.
In de vierde nachtwake
kwam Hij te voet over het meer naar hen toe.
Maar toen de leerlingen Hem zo over het meer zagen gaan,
raakten zij van streek omdat zij een spook meenden te zien
en zij begonnen van angst te schreeuwen.
Maar Jezus zei onmiddellijk tot hen:
“Weest gerust. Ik ben het. Vreest niet.”
“Heer”, antwoordde Petrus,
“als Gij het zijt,
zeg mij dan dat ik over het water naar U toe moet komen.”
Waarop Jezus sprak:
“Kom!”
Petrus stapte uit de boot en liep over het water naar Jezus toe.
Maar toen hij merkte hoe hevig de wind was, werd hij bang;
hij begon te zinken en schreeuwde:
“Heer, red mij!”
Terstond stak Jezus zijn hand uit
en greep hem vast, terwijl hij tot hem zei:
“Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?”
Nadat zij in de boot gestapt waren, ging de wind liggen.
De inzittenden wierpen zich voor Hem neer en zeiden:
“Waarlijk. Gij zijt de Zoon van God.”
Toen zij overgestoken waren
bereikten zij de kust bij Gennésaret.
Toen de mannen van die streek Hem herkenden,
verspreidden zij in heel de omtrek het bericht van zijn komst
en brachten Hem al hun zieken.
Ze smeekten Hem
of ze tenminste de zoom van zijn kleed mochten aanraken.
En allen die dit deden, werden gezond.

Homilie  

Jezus laat een situatie ontstaan die gelovigen in heel de tijd van de geschiedenis na Hem steeds weer zullen meemaken. Hij trekt Zich terug. Hij maakt Zich onzichtbaar. Hij gaat weg. "Hij ging de berg op om in afzondering te bidden," nadat Hij, na de broodvermenigvuldiging, de leerlingen gedwongen had in de boot te gaan en alvast naar de overkant te varen. Hij deed dat omdat ze dan niet zouden blijven hangen in dat feest van herkenning en van God-menselijk samenzijn bij de wonderbare broodvermenigvuldiging en het eten tot verzadiging toe. Wat was dat heerlijk! Het kon ze niet lang genoeg blijven duren. Toch moest Jezus een einde maken aan dat samenzijn, want het is niet de eindtijd, het is een vooruitgrijpen op de eindtijd. Het komt en het gaat, zoals in de eucharistie.

Dan zijn ze uiteen. Jezus boven op de berg, dat wil zeggen: bij God, om te doen wat mensen bij God doen, namelijk: in afzondering bidden, en de leerlingen beneden op het meer, vele stadiën uit de kust; evenveel stadiën uit de kust waar ze vandaan kwamen, als naar de kust waarheen ze op weg waren. Om hen heen was overal water, ze bevonden zich midden op het water, geteisterd door de golven, en ze hadden tegenwind. Het was duister, de avond viel. Moet u zich voorstellen: duisternis, tegenwind, hoge golven en God ver weg. De God die zij gewend waren bij zich te hebben, Jezus, met wie ze nooit bang waren. Ze zijn overgeleverd aan de elementen, zoals mensen die omringd worden door tegenstanders, of in de greep zijn van de hartstochten in het eigen hart, overgeleverd aan het spel der elementen.

In de vierde nachtwake, dat betekent aan het einde van de nacht (een nacht had vier nachtwaken van drie uur), het was nog pikkedonker, 's morgens om drie, vier uur, kwam Jezus te voet over het meer naar hen toe. Dat betekent: Hij is nooit van hen weggeweest met zijn aandacht. De apostelen waren Hem kwijt, maar Jezus was hen níet kwijt. Terwijl Hij hen dus overlaat aan het spel der elementen, de krachten van de geschiedenis, goed en kwaad, is Hij met zijn Hart bij hen. Geen moment is Hij zonder hen.

Hij verschijnt aan hen, opdat wij dat óók mogen ervaren. Ze begonnen van angst te schreeuwen, en niet alleen omdat ze overgeleverd waren aan de elementen, duisternis, storm en golven, de krachten van deze wereld, maar ze waren ook overgeleverd aan de krachten van de andere wereld. Daarom begonnen zij van angst te schreeuwen. Midden in deze chaos en in deze angst, zegt Jezus: "Weest gerust, Ik ben het. Vrees niet.” Ik ben het! Hij gebruikt de woorden die God tot Mozes sprak, toen deze Hem de vraag stelde: “Wat moet ik zeggen, hoe is uw Naam?" (Ex 3,13). Zeg dan: Ik ben het. Ik ben, Ik ben er altijd. Ik ben de grote Aanwezige. Dat is niet zo maar iemand, maar IK, die Zich geopenbaard heeft als God. Dé God voor wie Mozes op zijn aangezicht viel, want hij durfde niet naar God op te zien. Díe God, díe goddelijke aanwezigheid, is altijd bij ons. Hij is afroepbaar. We hoeven maar in vertrouwen te schreeuwen, of van achter de coulissen van de geschiedenis treedt Hij binnen in onze ruimte, in de ruimte van ons hart.

Hier in de kapel is Hij altijd. Maar weet u dat Hij ook altijd is waar en in welke situatie u ook bent, buiten deze kapel? Ook daar is Hij even werkelijk aanwezig. Waar u ook bent, Hij is bij u, want dat heeft Hij gezegd: "Zie, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld" (Mt 28,20).
Dinsdag in de achttiende week
     van het oneven jaar