Eerste lezing: Numeri 20,1-13
Evangelie: Matteüs 16,13-23
Inleiding
'Tot U, Heer, stijgt mijn verlangen.' Waar stijgt dat verlangen dan uit op? Uit het verstand? Nee, het verstand is meer de eigen werkzaamheid, zelfwerkzaamheid. Dat gebeurt niet zomaar, je moet er iets voor doen. Je moet met je verstand iets vatten, iets omvatten, in de greep krijgen, begrijpen. Maar déze wijze van God benaderen komt niet uit het verstand, maar uit het hart. Uit het door God geraakte hart! Want van Hem komt het verlangen. Verlangen reikt naar iets, naar iemand, naar God. Maar het komt ook van God. God is er het begin en het einde van. Want hoe zou iets naar God kunnen reiken als het niet al van God afkomstig is? Hij is het begin en het einde.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
Toen Jezus in de streek van Caesarea van Filippus gekomen was,
stelde Hij zijn leerlingen deze vraag:
Wie is, volgens de opvatting van de mensen,
de Mensenzoon?
Zij antwoordden:
Sommigen zeggen Johannes de Doper, anderen Elia,
weer anderen Jeremia of een van de profeten.
Maar gij - sprak Hij tot hen -
wie zegt gij dat Ik ben?
Simon Petrus antwoordde:
Gij zijt de Christus,
de Zoon van de levende God.
Jezus hernam:
Zalig zijt gij Simon, zoon van Jona,
want niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard
maar mijn Vader die in de hemel is.
Op mijn beurt zeg ik u:
Gij zijt Petrus;
en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen
en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen.
Ik zal u de sleutels geven van het Rijk der hemelen
en wat gij zult binden op aarde,
zal ook in de hemel gebonden zijn
en wat gij zult ontbinden op aarde,
zal ook in de hemel ontbonden zijn.
Daarop verbood Hij zijn leerlingen nadrukkelijk
iemand te zeggen, dat Hij de Christus was.
Van dat ogenblik af
begon Jezus zijn leerlingen duidelijk te maken
dat Hij naar Jeruzalem moest gaan;
dat Hij daar veel zou moeten lijden van de oudsten,
de hogepriesters en de schriftgeleerden,
maar dat Hij, na ter dood gebracht te zijn
op de derde dag zou verrijzen.
Toen nam Petrus Jezus ter zijde
en begon Hem ernstig daarover te onderhouden:
Dat verhoede God, Heer!
Zo iets mag U nooit overkomen!
Maar Hij keerde Zich om en zei tot Petrus:
Ga weg, satan, terug!
Gij zijt Mij een aanstoot,
want gij laat u leiden door menselijke overwegingen
en niet door wat God wil.
Homilie
Kerk wordt gemaakt door de belijdenis van Jezus als de Christus, de Zoon van de levende God. Maar deze belijdenis komt niet uit de mens ("vlees en bloed), maar uit mijn Vader die in de hemel is." Uit de hemel dus. Op die hoogte moet ook het gebed beginnen, niet bij wat we kunnen zien (beeld, plaatje, heilig Sacrament), maar bij wat we niet kunnen zien, maar gelovig vertrouwen: het hart van de hemelse Vader, van liefde vervuld. Van die onzichtbare liefde is Jezus in het heilig Sacrament het genadegevend teken.
"Toen Jezus in de streek van Caesarea van Filippus gekomen was, stelde Hij zijn leerlingen deze vraag: Wie is, volgens de opvattingen van de mensen, de Mensenzoon?" Jezus leidt zijn zelfopenbaring in met een vraag aan de leerlingen. En die vraag aan de leerlingen leidt Hij weer in met een vraag naar de opvattingen van de mensen. Eerst moet onze onkunde en onwetendheid aan het licht komen. De grote woorden van ons heilig geloof moeten steeds weer op de proef gesteld worden of wij ze wel echt geloven. Steeds weer mag ons geloof gepaard gaan met besef van ongeloof: "Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp!" (Mc 9,24). Het geloof is een wonder. Elke keer opnieuw. Maar dit wonder kan alleen geschieden na de deemoedige belijdenis van eigen onmacht om te geloven. Mensenzoon is de titel waarmee Jezus bij voorkeur Zichzelf aanduidt. Wij zouden misschien zeggen: 'Wie is de echte mens? De redder van de humaniteit, de mens naar Gods bedoelingen, met Gods Geest gezalfd?'
"Sommigen zeggen Johannes de Doper, anderen Elia, weer anderen Jeremia of een van de profeten." Dat is wat de mensen nog steeds van de Kerk verwachten: iets profetisch, een profetisch woord over het huwelijk, over sociale gerechtigheid. Kerk moet bevrijden, emanciperen, de armen verlossen van de onderdrukking door de rijken, de vrouwen bevrijden van de overheersing door de mannen. Nu, daar ís de Kerk ook voor. Maar nooit mag zij haar opdracht daartoe verengen. Want de Kerk is ervoor om armen én rijken, vrouwen én mannen te winnen voor Christus. Christus is onze enige echte rijkdom. Christus is de schat uit de hemel die door de Vader aan de Kerk werd toevertrouwd en die zij uitdeelt door prediking, missionering, sacramenten en door Hem geïnspireerde werken van barmhartigheid en sociale actie. Kerk is dus niet wereldvreemd, maar ook niet een stuk wereld. Kortom: niet ván de wereld (hemels), wel ín de wereld.
"Maar gij, sprak Hij tot hen, wie zegt gij dat Ik ben?"Jezus stelt het voor alsof er twee soorten mensen zijn: 'de mensen', met 'de opvattingen der mensen', die zich laten leiden door 'vlees en bloed' én de leerlingen wier woordvoerder Petrus is, die zich laat leiden door "mijn Vader die in de hemel is". Ben je dan als gelovige een ander soort mens? Nee, maar door met Jezus om te gaan, wordt iemand anders en als wij in de Kerk samen met Jezus omgaan, beginnen wij ons als groep af te tekenen tegenover de andere mensen. Niet de leerlingen, niet de gelovigen zijn uit zichzelf anders of beter dan de buitenstaanders, de ongelovigen, maar Jezus met Wie de leerlingen omgaan. Bidden en de sacramenten ontvangen is de manier om Jezus' uitstraling te ondergaan.
"Simon Petrus antwoordde: Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God." Jezus stelde de vraag aan alle leerlingen, maar het is Petrus die namens de anderen het antwoord formuleert. Hij alleen is de geroepen woordvoerder in de Kerk. Blijkbaar is de Kerk hiërarchisch vanaf het begin, dat wil zeggen volgens een heilige, hemelse, door God gegeven ordening en niet volgens menselijke ordeningsprinciepen: stand, ras, geld, macht, kennis enzovoort. Tegenover de menselijke antwoorden formuleert Petrus, aangedreven door de heilige Geest, het kerkelijk credo: "Gij, Jezus van Nazaret, zijt de Zoon van de levende God, dat wil zeggen: de enige echte, door Gods Geest gezalfde mens. Jezus hernam: Zalig zijt gij Simon, zoon van Jona, want niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemel is."
Kerk ontstaat niet van onderop, doordat mensen die in Jezus geloven, zich aaneensluiten en samen opkomen voor elkaar en voor mensen in nood. De Kerk is méér dan de mensen die tot de Kerk behoren. De Kerk is niet ontstaan vanuit de omtrek naar Jezus toe, maar van Jezus uit, van Jezus' Vader in de hemel uit. Zo kan de Kerk zich alleen maar vernieuwen, niet door sociale actie, maar door een vernieuwde Christuservaring, een vernieuwde Godservaring. "Op mijn beurt zeg Ik u: Gij zijt Petrus en op deze steenrots zal Ik mijn kerk bouwen en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen." Voorzien van een bovenmenselijke kracht is de Kerk bestand tegen de eveneens bovenmenselijke macht van het kwaad (poorten der hel).