Eerste lezing: Deuteronomium 6,4-13
Evangelie: Matteüs 17,14-20
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd,
toen Jezus en zijn leerlingen bij het volk gekomen waren,
kwam een man naar Hem toe,
wierp zich op de knieën voor Hem neer en sprak:
Heer, ontferm U over mijn zoon,
want hij lijdt aan vallende ziekte en is er slecht aan toe.
Dikwijls valt hij in het vuur en in het water.
Ik heb hem bij uw leerlingen gebracht,
maar die waren niet bij machte hem te genezen.
Jezus gaf ten antwoord:
O, ongelovig en verworden geslacht,
hoelang nog moet Ik bij u zijn, hoelang nog u verdragen?
Brengt hem hier bij Mij.
En onder de dwang van Jezus' woord ging de boze geest uit hem weg;
op datzelfde ogenblik was de jongen genezen.
Toen de leerlingen met Jezus alleen waren,
vroegen zij Hem:
Waarom hebben wij hem niet uit kunnen drijven?
Jezus zei hun:
Om uw gebrek aan geloof.
Voorwaar, Ik zeg u:
wanneer gij een geloof bezit,
ook al is dit klein als een mosterdzaadje,
dan kunt ge tot deze berg zeggen:
verplaats u van hier naar daar, en hij zal zich verplaatsen.
Niets zal u onmogelijk zijn.
Homilie
Toen Jezus en zijn leerlingen bij het volk gekomen waren. Jezus had Zich eerst met zijn leerlingen van het volk afgezonderd: Zes dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en Johannes met Zich mee en bracht hen boven op een hoge berg, waar zij alleen waren. Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd" (Mt 17,1-2). Dat gebeurt ook met u wanneer u naar de kerk gaat. U zondert u af van de mensen om met Jezus samen te zijn en te zien hoe Hij voor u van gedaante verandert, hoe u méér in Jezus gaat zien, hoe u door de buitenkant heen doordringt in de lichtende binnenkant.
Uit de afzondering met Jezus komt de wereld op ons af met heel haar ellende. Zij is er slecht aan toe, die wereld van ons, een patiënt, meer vallen dan staande blijven, van de ene kwaal in de andere vallend. De ergste kwaal is, dat zij niet weet dat zij ziek is, en dat ze naar heelmeesters gaat die de kwaal alleen maar verergeren, en dat zij zich niet wendt tot de Geneesheer die er echt iets aan kan doen. Dikwijls vindt zij zelfs bij de mensen van de Kerk nog geen uitkomst: "Uw leerlingen waren niet bij machte hem te genezen. En nu zegt Jezus: O, ongelovig en verworden geslacht! Hoelang nog moet Ik bij u zijn! Hoelang nog u verdragen?" Hier staat met evenzoveel woorden, dat Jezus niet graag bij de mensen is. Het staat er zwart op wit. We moeten dat niet willen wegpraten.
Het is dan ook bepaald niet vanzelfsprekend, dat Jezus graag bij ons wil zijn. Ook niet bij ons hier? Want we doen toch zo ons best! We maken er misschien niet zoveel van, maar we bedoelen het toch zo goed! Of, als Hij al niet zo graag bij ons is, hoe zou Hij dan wel bij de anderen willen zijn? Die moeten voor Hem toch wel helemaal onverdraaglijk zijn! Zoals er bij Habakuk staat: "Gij die het onrecht niet onbewogen kunt gadeslaan, hoe kunt Gij de verraders aanzien, en zwijgen, als de schurk een man verslindt, rechtvaardiger dan hijzelf?" (Hab 1,13). Hoe kan God dit onheilig gedoe hier op aarde toch verdragen? De eerste lezing beschrijft het onrecht in deze wereld. Op de TV en in de krant komt het allemaal op ons af. Hoe een machtig volk een ander volk meesleept. Het hele volk moest in ballingschap. Hoe kan de wereld zo zijn? En God daarboven laat het maar.
Waarom heeft Jezus het uitgehouden en ons verdragen? Het is natuurlijk gemakkelijk de grote wereld te bekritiseren om haar grote zonden. Maar wat zij doet in het groot, doen wij in het klein, het zijn dezelfde zonden. De vraag is: hoe kan God óns aanzien? En wat Hem het zwaarst valt, is het gebrek aan geloof: "Om uw gebrek aan geloof
O, ongelovig en verworden geslacht." De verwording zit hem in het ongeloof. Mensen zien alleen naar de mensen. Maar God wil grote dingen doen door kleine mensen. Geloof doet wonderen bij de mensen. Jezus zegt dan ook: "Uw geloof heeft u genezen."