Achttiende zondag door het jaar,
                  jaar B
Eerste lezing: Exodus 16,2-4.12-15
Tweede lezing: Efeziërs 4,17.20-24
Evangelie: Johannes 6,24-35


Inleiding  

'Mijn hart spreekt tot U. Ik zoek uw gelaat. Uw gelaat, Heer, zal ik zoeken. Wend uw gelaat niet van mij af.' Dat is de inzet van ons gebed, van de eucharistie op zondag. Het gaat niet zozeer om iets dat wij doen, om onze plichten te vervullen, om de zondag te vieren zoals een christen dat betaamt, maar het gaat er om dat wij Hém zoeken en dat Hij Zich te zoeken en te vinden geeft. Boven ons leven hangt niet een of andere duistere, geheimzinnige macht, noodlot, maar een gelaat, ogen, een Hart, Iemand die dat zoeken naar Hem zélf in ons hart legt. Dat is al een teken dat we Hem gevonden hebben. We zoeken Hem, er is een verlangen in ons hart naar Hem. Dat heeft Hij in ons hart gelegd bij ons heilig doopsel toen wij kinderen werden van God, om dat verlangen ooit eens te bekronen met een volledig vinden.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

Toen de mensen bemerkten dat noch Jezus noch zijn leerlingen daar waren,
gingen zij in de boten en voeren in de richting van Kafarnaum
op zoek naar Jezus.
Zij vonden Hem aan de overkant van het meer en zeiden:
“Rabbi, wanneer bent U hier gekomen?”
Jezus nam het woord en zei:
“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:
Niet omdat gij tekenen gezien hebt, zoekt ge Mij,
maar omdat gij van de broden hebt gegeten tot uw honger was gestild.
Werkt niet voor het voedsel dat vergaat,
maar voor het voedsel dat blijft om eeuwig te leven
en dat de Mensenzoon u zal geven.
Op Hem immers heeft de Vader, God zelf, zijn zegen gedrukt.”
Daarop zeiden zij tot Hem:
“Welke werken moeten wij voor God verrichten?”
Jezus gaf hun ten antwoord:
“Dit is het werk dat God van u vraagt:
te geloven in Degene, die Hij gezonden heeft.”
Zij zeiden tot Hem:
“Wat voor teken doet Gij dan wel,
waardoor wij kunnen zien dat wij in U moeten geloven?
Wat doet Gij eigenlijk?
Onze vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn,
zoals geschreven staat: Brood uit de hemel gaf hij hun te eten.”
Jezus hernam:
“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:
wat Mozes u gaf was niet het brood uit de hemel;
het echte brood uit de hemel wordt u door mijn Vader gegeven;
want het brood van God daalt uit de hemel neer
en geeft leven aan de wereld.”
Zij zeiden tot Hem: “Heer, geef ons altijd dat brood.”
Jezus sprak tot hen:
“Ik ben het brood des levens:
wie tot Mij komt zal geen honger meer hebben,
en wie in Mij gelooft,
zal nooit meer dorst krijgen.”

Homilie

“Toen de volgende morgen de dauw was opgetrokken, lag er over de woestijn een fijnkorrelige laag, alsof de grond met rijp was bedekt."
De Israëlieten zagen het en vroegen: "Wat is dat?"; in hun taal: 'manna?' Ik stond eens op een bus te wachten. Op de bank bij dat busstation zat iemand uit één van de Noord-Afrikaanse landen waar ze Hebreeuws spreken of een daarvan afgeleide taal. Zijn zoontje van een jaar of vijf was in de buurt aan het spelen. Op een gegeven moment kwam hij aanlopen met iets in zijn handje, dat hij van de straat had opgeraapt. Zijn vader vroeg hem: 'manna?' Ik verstond meteen datzelfde Hebreeuwse woord: 'Wat is dat?' Zo kwamen de Joden naar Mozes met dat korrelige spul in hun handen: 'manna?' 'Wat is dat?' Ze wisten werkelijk niet wat het was. Toen legde Mozes het hun uit: "Dit is het brood dat de Heer u te eten geeft." Hij zei niet: Dat is brood om te eten. Dat hadden ze zelf ook wel gezien. Daar hadden ze Mozes niet voor nodig. Nee, hij zei waar het vandaan kwam: "Dit is het brood dat de Heer u te eten geeft."

Mozes had de nieuwe denkwijze waar sint Paulus over spreekt in de tweede lezing: "Gij zijt in Christus onderricht naar de waarheid die in Jezus is: dat gij de oude mens van uw vroegere levenswandel, die te gronde gaat aan zijn bedrieglijke begeerten, moet afleggen en dat geheel uw denken zich moet vernieuwen." De nieuwe denkwijze van de gelovigen staat tegenover de waanwijsheid van de heidenen. De heidenen bekijken de dingen op zichzelf, los van het verband waarin de dingen staan, los van God. Bijvoorbeeld: over dat korrelige spul zijn ze onderzoek gaan doen. Natuurwetenschappelijk onderzoek. Vind je in die streek iets wat daarop lijkt? Ja hoor, gevonden: de mannastruik die in die streken bloeit en inderdaad iets kleverigs afscheidt, iets zoets dat je kunt eten. Nu weten we het pas echt! Als je je daarmee tevreden stelt, als je wil weten wat de dingen op zich zijn, los van hun betekenis voor de mens in zijn verhouding met God! Dat is de waanwijsheid van de heidenen: alles weten langs de weg van de natuur, wat iets is volgens de natuurlijke oorzaken, in hun natuurlijk verband. Wat is de nieuwe denkwijze? De dingen zien in hun verband met God, hoe God de dingen en de gebeurtenissen hanteert.

Bijvoorbeeld: een moeder vertelt over de geschiedenis van haar gezin: 'En toen heeft God onze Karel tot Zich genomen.' Hoezo? Heeft hij een ongeluk gehad of kreeg hij een ernstige ziekte en is hij daaraan gestorven? De waanwijze wil weten hoe en houdt zich niet bezig met de vraag naar het waarom, naar de betekenis, naar de zin van het gebeuren. Natuurlijk is het niet verboden zulke vragen naar het hoe van iets te stellen, maar in het gesprek met die moeder moet je zo'n vraag eigenlijk niet stellen, want daarmee maak je je los van haar beleving. Je schakelt over naar een andere golflengte, naar een andere wereld, de wereld van de natuur, terwijl de vrouw zich bevindt in de wereld van het geloof. Zij doet een gelovige uitspraak: Toen heeft God onze Karel tot Zich genomen. Zij zegt niet wat er gebeurd is met Karel, maar hoe zij het gebeurde met Karel verwerkt heeft. Zij vertelt iets over het gebeuren in haarzelf. In het vertellen van wat er gebeurd is - Karel stierf - vertelt zij in één adem hoe zij het verwerkt heeft: de wonde die er geslagen is én hoe God die wonde heeft genezen. Dat is de wijsheid van de gelovige, de wijsheid van Jezus.

Ander voorbeeld: Het gezin zit aan tafel, ze bidden: 'Heer, zegen ons en deze spijzen die wij uit uw milde hand mogen ontvangen.' De waanwijze zegt: 'uit uw milde hand? Het komt uit de keuken. Alles goed en wel: Ik heb het moeder zien klaar maken en zij heeft het eten hier op tafel gezet.' De gelovige ziet dat ook wel, maar hij ziet meer: de hogere zin, de diepere samenhang. Hij staat in een verbond, een verbond met God, een goede God.

Nog een voorbeeld: Er wordt een kindje geboren: ongelovige ouders sturen een kaartje rond: 'wij hebben er eentje bij. Kom je kijken?' Of: 'Hier ben ik: Marcel! Kom je me bekijken?' En een mededeling volgens de nieuwe denkwijze: 'God heeft ons een kind toevertrouwd; of: in grote dankbaarheid geven wij u kennis van de geboorte van Marc.' Wat een verschil! Het is het verschil tussen nieuws en het Blijde Nieuws. Nieuws: brood; het Blijde Nieuws: de Vader, God zelf, het echte brood daalt uit de hemel neer. Nieuws: de gave. Het Blijde Nieuws: de Gever in de gave. De Vader in zijn Zoon. En zo met alles. In de eucharistische maaltijd eten wij het mannabrood, het hemelbrood, als een voorproef van de hemelse maaltijd waar wij met God en alle heiligen aanzitten om ons te goed doen aan de liefde van God, zijn zelfgave, heel de eeuwigheid door.