Eerste lezing: Rechters 13,2-7.24-25a
Evangelie: Lucas 1,5-25
Inleiding
Eigenlijk moet je in angst en nood verkeren om de belofte van God te kunnen ontvangen. Als je zelfgenoegzaam bent, zoals Zacharias, onberispelijk levend volgens alle voorschriften en wetten van de Heer, volgens de geboden van God, dan heb je kans dat het Woord van God er niet ingaat bij je, dat je het niet kunt ontvangen, opgesloten als je bent in je geestelijke rijkdom, in je zelfgenoegzaamheid. Als je zo leeft, leef je vanuit een vals gevoel van veiligheid. Ga naar je zwakte, naar daar waar je in nood verkeert, dáár kan openheid komen voor de Blijde Boodschap van God.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas.
In de dagen van Herodes, koning van Judea,
leefde er een priester, Zacharias geheten
die behoorde tot de klasse van Abía.
Hij had een vrouw uit de dochters van Aäron
en haar naam was Elisabet.
Beiden waren rechtvaardig in Gods ogen
en leefden onberispelijk
volgens alle geboden en voorschriften van de Heer.
Zij hadden geen kinderen want Elisabet was onvruchtbaar
en beiden waren al op gevorderde leeftijd.
Toen Zacharias voor God als priester mocht optreden
omdat zijn klasse de beurt had, geschiedde het dat hij,
- zoals onder de priesters gebruikelijk was -
door het lot werd aangewezen
om de tempel des Heren binnen te gaan
en het wierookoffer op te dragen.
Het gehele volk stond op het uur van het wierookoffer buiten te bidden.
Er verscheen hem een engel des Heren aan de rechterkant van het wierookaltaar.
Toen Zacharias hem zag ontstelde hij en werd door vrees bevangen.
Maar de engel sprak tot hem:
Vrees niet Zacharias, want uw bede is verhoord;
uw vrouw Elisabet zal u een zoon schenken
die gij Johannes moet noemen.
Ge zult verheugd zijn en het uitjubelen
en vele mensen zullen zich over zijn geboorte verblijden.
Hij zal groot zijn in de ogen van de Heer;
wijn of sterke drank zal hij niet drinken
en nog in de schoot van zijn moeder
zal hij met de heilige Geest vervuld worden.
Vele zonen van Israël zal hij terugbrengen tot de Heer, hun God.
Hij zal voor Hem uitgaan met de geest en de kracht van Elia
om de gezindheid van de vaderen te doen terugkeren in de kinderen
en de ongehoorzamen te brengen tot de gesteltenis van de rechtvaardigen,
en om zo voor de Heer een welbereid volk te vormen.
Maar Zacharias zei tot de engel:
Waaraan zal ik dit herkennen?
Ik ben oud en ook mijn vrouw is reeds op jaren.
De engel antwoordde hem:
Ik ben Gabriël die voor Gods aanschijn staat,
en ik ben gezonden om tot u te spreken
en u deze blijde boodschap aan te kondigen.
Zie, gij zult zwijgen en niet in staat zijn te spreken
tot de dag waarop dat zal gebeuren,
omdat ge mijn woorden niet geloofd hebt;
deze zullen echter op hun tijd in vervulling gaan.
Intussen stond het volk op Zacharias te wachten
en ze verwonderden zich dat hij zolang in het heiligdom bleef.
Toen hij naar buiten kwam was hij niet bij machte tot hen te spreken
en zij begrepen dat hij in het heiligdom een verschijning gezien had.
Maar omdat hij stom bleef kon hij slechts tegen hen gebaren.
Toen de tijd van zijn tempeldienst om was ging hij naar huis terug
en enige tijd later werd zijn vrouw Elisabet zwanger.
Zij hield zich vijf maanden lang verborgen en daarna sprak zij:
Dit heeft de Heer voor mij gedaan
toen het Hem behaagd had
mijn schande bij de mensen weg te nemen.
Homilie
De engel Gabriël sprak: "Ik ben gezonden, door God, om tot u te spreken en u deze Blijde Boodschap aan te kondigen." Vandaag hebben we gehoord hoe de engel Gabriël de Blijde Boodschap aan Zacharias heeft verkondigd en morgen horen we hoe de Blijde Boodschap aan Maria wordt verkondigd door diezelfde engel Gabriël, "van Godswege gezonden naar een stad in Galilea, Nazaret, tot een maagd die verloofd was met een man die Jozef heette, uit het huis van David; de naam van de maagd was Maria" (Lc 1, 26-28).
De eerste bladzijde uit het evangelie van Lucas begint met een gesprek tussen een gezondene van Godswege, de engel Gabriël, en Zacharias. Je zou kunnen zeggen: zo iemand is de beste vertegenwoordiger van het Oude Verbond. Hij was een priester en "had een vrouw uit de dochters van Aäron en haar naam was Elisabeth.
Beiden waren rechtvaardig in Gods ogen en leefden onberispelijk volgens alle geboden en voorschriften van de Heer.
Maar om de genade van het Nieuwe Verbond te kunnen ontvangen, is het onderhouden van de wet alleen niet voldoende. Werd de wet door Mozes gegeven, de genade en de waarheid kwamen door Jezus Christus (Joh 1,17). Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, zulk een heerlijkheid als de Eniggeborene van de Vader ontvangt, vol genade en waarheid" (Joh 1,14).
God wil Zichzelf schenken; Hij wil zijn Hart geven, zijn liefde. Hij wil Zich helemaal verenigen met de mensen, een gemeenschap met hen aangaan, en daarom is er ook van de kant van de mensen méér nodig dan alleen een goed mens te zijn. God wil het hart van de mens. En juist dat hart kan al te gemakkelijk schuil gaan achter een braaf, deugdzaam, rechtvaardig, onberispelijk leven, zoals dat van die rijke man, die op de vraag van Jezus, of hij de geboden kende, antwoordde: "Dat alles heb ik onderhouden van mijn jeugd af" (Mc 10,20). Ik heb geleefd volgens alle geboden en voorschriften van de Heer, ik heb een onberispelijk leven geleid. Toch ontbrak hem nog iets. "Eén ding ontbreekt u, zei Jezus, ga verkopen wat ge bezit
" (Mc 10, 21). Het ontbreken zelf ontbrak! Armoede. Hij was rijk aan goederen en Jezus vroeg hem die te laten, maar bovenal ontbrak hem een armoede van geest. Een zekere zelfgenoegzaamheid, geestelijk en materieel, had bezit van hem genomen en dat isoleerde hem van zijn medemensen, maar dat isoleerde hem ook ten aanzien van God. God wil gemeenschap met hem: "Jezus keek hem liefdevol aan en sprak: Ga verkopen wat u bezit en geef het aan de armen. En kom dan terug om Mij te volgen" (Mc 10, 21).
God wil met die rijke jongeman één leven leiden, en daar zitten die goederen tussen, maar daar zit ook die geestelijke rijkdom tussen. Hij kan zich niet geven, hij is niet in staat die grootste rijkdom van God in zijn hart op te nemen. God wil niet alleen geboden geven aan de mens, zodat de mensen menselijk kunnen leven, maar Hij wil hem maken tot een kind van God, en hem zo als het ware boven zichzelf uitheffen. Hij wil niet alleen de schade ongedaan maken, maar Hij wil hem heel maken, heilig. En om die genade te kunnen ontvangen wordt er een totale openheid gevraagd, een totaal vertrouwen.
Daarin schoot ook Zacharias te kort. Hem wordt de mond gesloten, dat wil zeggen: de communicatie met de mensen houdt op, als teken dat de communicatie van God met de mensen door zijn schuld stagneerde, omdat hij niet geloofde in de woorden van de engel. Hij had gebrek aan geloof.
Het is eigenlijk merkwaardig, dat op het moment dat de communicatie tot stand komt tussen de hemel en de aarde, er meteen een straf is voor het verkeerde van de mens. Je zou zeggen: dan moet je wel op je hoede zijn voor die God, en dat is nu niet echt vertrouwenwekkend. Maar die straf is er juist voor het gebrek aan vertrouwen, voor het geen geloof opbrengen in God. En toch is dat het enige waardoor de communicatie met de mensen kan geschieden: geloof. "Uw geloof heeft u gered" (Mt 9,22; vgl. Mc 5,34; 10,52; Lc 7,50; 8,48;17,19; 18,42).
Er is niets goed aan de mens. Hij kan zichzelf niet redden, maar hij kan zich wel laten redden en daarvoor is geloof nodig. Iets moet de mens doen. Hij kan niets, maar wat hij wel kan is geloven in wat God kan. De mens heeft niets goeds in zich, niet echt goed, zijn hart is onzuiver: "Als gij dus, ofschoon ge slecht zijt, goede gaven aan uw kinderen weet te geven (Lc 11,13). Dit overspelig en zondig geslacht (Mc 8,38). Maar één ding kan hij hebben, zoals die melaatse, die van top tot teen overdekt was met ziekte, met bederf, één gave plek had: Als Gij wilt, Heer, kunt Gij mij reinigen" (Mt 8,2; vgl. Mc 1,40; Lc 5,12). Geloof!
Waakzaam zijn betekent niet: oppassen voor God, oppassen voor de vijand, maar oppassen voor de vijandigheid van je eigen hart, voor het vijandig denken, voor het etiketteren, voor het jezelf opsluiten in je ivoren toren van volmaaktheid, of het verdringen van eigen zwakheid, het willen leven van eigen rechtvaardigheid. We worden niet gerechtvaardigd door onze eigen rechtvaardigheid, maar wij worden gerechtvaardigd door Gods rechtvaardigheid en zíjn rechtvaardigheid is barmhartigheid.