Eerste lezing: Ezechiël 2,8 - 3,4 [III 219];
Evangelie: Matteüs 18,1-5.10.12-14 [III 220]
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd richtten de leerlingen tot Jezus de vraag:
Wie is nu wel de grootste in het Rijk der hemelen?
Hij riep een klein kind,
zette het in hun midden en zei:
Voorwaar, Ik zeg u:
als gij niet opnieuw wordt als de kleine kinderen,
zult gij het Rijk der hemelen zeker niet binnengaan.
Wie dus zichzelf gering acht zoals dit kind
is de grootste in het Rijk der hemelen.
En wie in mijn Naam zulk een kind opneemt,
neemt Mij op.
Hoedt u er voor een van deze kleinen te minachten,
want Ik zeg u:
zij hebben engelen in de hemel en deze aanschouwen voortdurend
het aangezicht van mijn Vader die in de hemel is.
Wat dunkt u?
Wanneer een man honderd schapen heeft
en één daarvan verdwaalt,
zal hij dan niet
de negenennegentig in de bergen alleen laten
om op zoek te gaan naar het verdwaalde?
En gelukt het hem dat te vinden, voorwaar Ik zeg u,
dan zal hij over dat ene meer verheugd zijn
dan over de negenennegentig die niet verdwaald waren.
Zo ook wil uw hemelse Vader niet
dat een van deze kleinen verloren gaat.
Homilie
Wat je verloren bent, krijgt dubbele aandacht. Je bent ermee bezig, méér dan met al het andere dat je niet kwijt bent. Er is iets zoek, je bent iets kwijt dat je nodig hebt. Je kunt het maar niet vinden, en je kunt niet zo goed zonder. Het lijkt wel of je hele leven uit niets anders bestaat dan uit dat ene ding dat je kwijt bent. Je bent het kwijt, en in je verlangen om het terug te vinden, geef je het meer aandacht dan alle andere dingen die je niet kwijt bent.
Zo is het ook met de verloren kinderen van God. Alles concentreert zich op dat ene schaap, de anderen bestaan gewoon niet voor de herder.
Misschien ontstaat er nu bij u een gevoel van medelijden met die anderen, die negenennegentig die nu niet zoveel aandacht krijgen. Toch is dat ten onrechte, want wanneer ze zien dat hun herder zich zo druk zien maken om één zo'n weggelopen schaap, gaat er bij hen een licht op: dat heeft hij dus voor ieder van ons over. In tijd van nood leer je je vrienden kennen. In de nood van dat ene schaap, waarop alle zorg van de herder zich concentreert, leren alle niet verdwaalde schapen hun herder kennen, hoe hij er altijd voor hen is. De noodsituatie haalt uit de herder naar boven wat er altijd al in zat, maar als het ware impliciet, ingevouwen.
Het gaat erom dat je weet dat er een band is tussen elke mens en de Vader. Dat een mens zich door het evangelie moet laten leren dat hij niet alleen is, dat er Iemand vol zorg met hem bezig is. "Als een herder zal Hij zijn kudde weiden; in zijn arm brengt Hij de lammeren samen en draagt ze aan zijn borst, terwijl Hij de ooien voortleidt" (Js 40,11).
'Na zulke taal kunnen wij er alleen maar het zwijgen toedoen, schreien van dankbaarheid en liefde. Ach, wanneer alle zwakke en onvolmaakte zielen voelen wat de kleinste van alle zielen, de ziel van uw kleine Thérèse voelt, zou er niet één enkele wanhopen om de top van de liefdesberg te bereiken. Jezus vraagt geen prestaties, maar alleen overgave en dankbaarheid'
Dankbaarheid waarvoor? Voor de liefde van de hemelse Vader, die het Liefste wat Hij heeft inzet om zijn verloren mensenkinderen te redden. De openbaring van de barmhartigheid is de zin van de zonde, is de zin van de onzin. Wij leven in het tijdperk van Gods barmhartigheid.