Maandag in de negentiende week
         van het even jaar
 
                          Heilige Clara, maagd


Eerste lezing: Ezechiël 1,2-5.24-28 [III 217];
Evangelie: Matteüs 17,22-27 [III 218]


Inleiding  

Clara en Franciscus. Het lijkt een sprookje, of een plot van een liefdesroman. De adellijke dochter Clara door de burger Franciscus ontvoerd om haar uit te huwelijken aan Jezus. Romantischer kan het niet. Een Italiaanse regisseur heeft er een film van gemaakt: 'Zuster Maan en broeder Zon'. Vol met filmische effecten en schrille tegenstellingen tussen een protserig levende Kerk met rijke prelaten en eenvoudige armen en volkomen vrije broeders en zusters. Maar wat was het historische decor? Strijd tussen burgers en adel, tussen arm en rijk, kortom tussen de oude en de nieuwe machten. De macht van de adel steunde op grondbezit, de burgermacht in de steden steunde op de vroeg kapitalistische economie, het stadsproletariaat als reservaat voor goedkope werkkrachten om des te meer winst te kunnen maken. Precies zoals het nu nog steeds is tussen het rijke Westen en de arme, onontwikkelde landen. Clara was van adel, Franciscus uit de gegoede burgerij.

Maar nu zijn we in de kerk en daar gaat het niet over de economie. Wat doet Jezus? Jezus staat niet aan de kant van de oude machten. Hij doet niet mee aan restauratie, zou men tegenwoordig zeggen, maar Hij schaart Zich ook niet zonder meer achter de nieuwe machten, de burgerij. Hij schaart Zich, dat zal u treffen, achter de slachtoffers van de nieuwe machthebbers. Door een orde op te richten van broeders en zusters die hun leven stileren volgens de leefstijl van de proletariërs: arm, afhankelijk, onzeker. De tegenstellingen tussen arm en rijk, tussen adel en burgerij, werden door Jezus overwonnen. Hij laat afstand nemen van de angel van alle tegenstellingen: macht en rijkdom. In termen van het evangelie van vandaag: je leven winnen, jezelf ontplooien.

Als wij nu deze eucharistie gaan vieren, waarin Jezus ons voorgaat op die weg van slachtoffer van de macht, niet zozeer de macht van de rijkdom, maar die van de zonde, beginnen wij eerst onze eigen deelname aan die zonden te belijden, om deze heilige eucharistie goed te kunnen vieren.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

Terwijl zij nog in Galilea bijeen waren
sprak Jezus tot zijn leerlingen:
“De Mensenzoon
zal worden overgeleverd in de handen der mensen,
en ze zullen Hem doden,
maar op de derde dag zal Hij verrijzen.”
Zij werden zeer bedroefd.
Toen zij in Kafarnaüm waren aangekomen,
kwamen de inners van de tempelbelasting
op Petrus af en zeiden:
“Betaalt uw Meester de didrachmen niet?”
Hij antwoordde: “Welzeker!”
Maar toen Petrus het huis binnenging,
voorkwam Jezus hem met de woorden:
“Wat dunkt u, Simon?
Van wie heffen de aardse vorsten tol of belasting,
van hun kinderen of van vreemden?
En toen hij antwoordde: “Van vreemden,”
zei Jezus tot hem:
“Dus de kinderen zijn vrij.
Maar toch, om hun geen aanstoot te geven:
ga naar het meer,
werp uw haak  uit en grijp de eerste vis die boven komt;
maak zijn bek open en gij zult een stater vinden;
betaal daarmee voor Mij en voor u.”

Homilie  


Vijfendertig jaar later dan Jeremia werd Ezechiël tot profeet geroepen, vijf jaar nadat koning Jojakin van Juda, en waarschijnlijk ook Ezechiël zelf, naar Babylon gesleept werd (597 v. Chr.). Ezechiël droeg in zich het religieuze weten van zijn tijd en hij doorleed de ontzaglijke spanning van het historische ogenblik. Vergeleken met het bericht over de roeping van Jesaja en Jeremia, valt aan dit bericht vooral het buitengewone op: God verschijnt als een storm van vuur uit het noorden en wordt dan duidelijker zichtbaar als een menselijk wezen, als een op een mens gelijkend wezen: als de wereldbeheerser op zijn troon. Voor Ezechiël, de priester uit Jeruzalem, is het belangrijk dat Jahwe niet aan Jeruzalem gebonden is, maar naar zijn volk dat in ballingschap leeft, toekomt. Het volk is voor Hem belangrijker dan het land. God verschijnt aan zijn volk in het onreine land van de afgoden.
Ezechiël beleeft hier wat Jezus en zijn drie leerlingen beleefden op de berg Tabor: een voorproefje van de hemelse heerlijkheid, om het te kunnen uithouden in de beproeving van de ballingschap, om het te kunnen uithouden bij het doormaken van het einde: Jeruzalem, lijden en dood. De vreugde van de Tabor dient ervoor de droefheid bij het lijdensperspectief te kunnen doorstaan en er niet aan te gronde te gaan.

Er bestond een Israëlitische tempelbelasting, zoiets als onze Kerkbalansactie, voor het onderhoud van de eredienst. Petrus, aangesproken als vertegenwoordiger van de groep rond Jezus, zegt: 'Ja, mijn Meester betaalt de tempelbelasting.' 'Want, denkt hij, Jezus is Israëliet met alle rechten en plichten.' Petrus wist wel wie Jezus is, "de Zoon van de levende God!" (Mt 16,16), zo had hij Hem beleden, maar hij had nog niet gedacht aan de gevolgen, aan wat dat in de praktijk betekende. Het geloof moet alle gebieden van het leven binnendringen, zodat ook de kleinste, ogenschijnlijk nog zo alledaagse en praktische vragen in het licht van het geloof worden gezien en opgelost.

Jezus helpt daarbij met een vergelijking. De koningen van de rijken van die tijd heffen belastingen van de vreemden, niet van het eigen volk, laat staan van de leden van de eigen familie. De zonen zijn vrij, belastingvrij, de eigen mensen zijn vrij. Bovenal is dat het geval met dé Zoon bij uitstek. Omdat Jezus dé Zoon is, en de leerlingen Hem volgen, dat wil zeggen: één leven met Hem uitmaken, horen zij tot de familie van de Messias. "Mijn broeder, mijn zuster en mijn moeder zijn zij die de wil volbrengen van mijn Vader in de hemel (Mt 12,50). Jezus hoeft geen tempelbelasting te betalen, want Hij is de Zoon van de Vader. “Hier is meer dan de tempel" (Mt 12,6).