Donderdag in de negentiende week
         van het oneven jaar
                HH. Pontianus en Hippolytus, martelaren


Eerste lezing: Jozua 3,7-10a.11.13-17  
Evangelie: Matteüs 18,21-19,1


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd kwam Petrus naar Jezus toe en sprak:
“Heer, als mijn broeder tegen mij misdoet,
hoe dikwijls moet ik hem dan vergeven?
Tot zevenmaal toe?”
Jezus antwoordde hem:
“Neen, zeg Ik u, niet tot zevenmaal toe,
maar tot zeventigmaal zevenmaal.
Daarom gelijkt het Rijk der hemelen op een koning
ie rekening en verantwoording wilde vragen aan zijn dienaren.
Toen hij hiermee begon,
bracht men iemand bij hem die tienduizend talenten schuldig was.
Daar hij niets had om te betalen gaf de heer het bevel hem te verkopen
met vrouw en kinderen en al wat hij bezat om zo de schuld te vereffenen.
De dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte:
Heer, heb geduld met mij en ik zal u alles betalen.
De heer kreeg medelijden met die dienaar,
liet hem gaan en schold hem de geleende som kwijt.
Maar toen die dienaar buiten kwam,
trof hij daar een andere dienaar die hem honderd denariën schuldig was;
hij greep hem bij de keel en zei:
Betaal wat je schuldig bent.
De andere dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte:
Heb geduld met mij en ik zal u betalen.
Maar hij weigerde en liet hem zelfs in de gevangenis zetten,
totdat hij zijn schuld zou hebben betaald.
Toen nu de overige dienaren zagen wat er gebeurd was,
waren zij diep verontwaardigd en gingen hun heer alles vertellen.
Daarop liet de heer hem roepen en sprak:
Jij lelijke knecht, heel die schuld heb ik je kwijtgescholden,
omdat je mij erom gesmeekt hebt.
Had jij dan ook geen medelijden moeten hebben met je mededienaar,
zoals ik met jou medelijden heb gehad?
En in toorn ontstoken leverde zijn heer hem over aan de beulen,
totdat hij zijn hele schuld betaald zou hebben.
Zo zal ook mijn hemelse Vader met ieder van u handelen,
die niet zijn broeder van harte vergiffenis schenkt.”
Toen Jezus deze toespraak geeindigd had,
vertrok Hij uit Galilea en ging naar het Overjordaanse gebied van Judea.

Homilie      

“Hoe dikwijls moet ik mijn broeder vergeven?"
Het is Petrus die de vraag stelt, dus het gaat over kerkbroeders, niet over de verhoudingen tussen de leden van een familie. Daar geldt het ook voor, maar het is niet de invalshoek van deze parabel. Het gaat over de verhoudingen binnen de Kerk, tussen gelovigen, dus tussen mensen die zich veelal van hun familie hebben losgemaakt of door hun familie zijn uitgestoten, die dus eigelijk niemand anders hebben dan elkaar, die op elkaar zijn aangewezen, en in de nood van de vervolging elkaar tot steun zijn.

Het gaat over die verhoudingen tussen mensen zoals hier in de Kerk, met dit verschil dat de verhoudingen tussen christenbroeders en christenzusters in die dagen nog veel bindender waren dan in onze dagen, waar christengelovigen minder last hebben van druk van buiten, door grotere individuele rijkdom, waardoor zij minder afhankelijk zijn van anderen.

Je zou kunnen zeggen: het gaat over de verhoudingen zoals in een kloostergemeenschap, waar men elkaar broeder en zuster noemt, waar de band de liefde is, niet de liefde van de broeders en zusters zelf, maar de liefde van Jezus: "Hem behoren wij toe in leven en sterven” (Rom 14,8). Uw saamhorigheid, zusters, is die van Jezus - die zijn leven gegeven heeft: “Daarom is Christus gestorven en weer levend geworden, om Heer te zijn over doden en levenden" (Rom 14,9).

"Hoe dikwijls moet ik mijn broeder vergeven, als hij tegen mij misdoet", als hij mij raakt? Als er echte liefde in het spel is, kunnen mensen elkaar ook raken, pijn doen. Een buitenstaander, of een vijandig mens kan je onheus behandelen, die kan je beledigen, maar dat raakt je niet echt. Kwetsen, raken kan alleen iemand van wie je houdt, iemand met wie je in liefde verbonden bent. Maar als het echte liefde is, dan is er een zekere morele onmogelijkheid om na te dragen of vergoeding te eisen, of excuus vragen. Als je echt van iemand houdt, dan is de wond die de ander in je hart slaat, een liefdeswond, om nog meer van hem of haar te houden. Van vergoeding eisen is dan gewoon geen sprake. Dat komt dan gewoon niet in je op. De liefde die christenen elkaar tot broeders en zusters maakt, is de liefde van Christus. "Een nieuw gebod geef Ik u,” zegt de Heer: “gij moet elkaar liefhebben zoals Ik u heb liefgehad" (Joh 13, 34).

Hoe groot is de liefde waarmee Jezus ons lief heeft! Dat wil Hij ons duidelijk maken aan de parabel van de tienduizend talenten. Dat is een astronomisch bedrag, een gigantische schuld, zoals eigenlijk alleen maar bij een groot bedrijf of bij een hele staat denkbaar is. Kijk naar de man die een vermogen had van acht talenten en het zijn dienaren gaf om het te beheren; acht talenten, een vermogen, en hier gaat het om tienduizend talenten, voor die tijd een onvoorstelbaar groot vermogen.

Hoe komt een gewoon mens, een gewone gelovige aan zo'n schuld? Hoe kan iemand in de verhouding met een ander zo'n schuld aanrichten? Dat hangt niet af van wat hij misdoet of miszegt, maar meer van de liefde van diegene tegen wie hij misdoet of miszegt. Echt misdoen kan alleen iemand met wie je in liefde verbonden bent. Wij kunnen God echt raken en zo een gigantische schuld veroorzaken wegens de liefde die Hij voor ons voelt. Als wij ons dat te binnen brengen, hoe wij Hem hebben gegriefd en gekwetst en hoe Hij ons is blijven beminnen, zal het ons ook makkelijker vallen te vergeven wat anderen ons hebben aangedaan.