Woensdag in de negentiende week
         van het oneven jaar
Eerste lezing: Deuteronomium 34,1-12  
Evangelie: Matteüs 18,15-20


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Wanneer uw broeder gezondigd heeft,
wijs hem dan onder vier ogen terecht.
Luistert hij naar u, dan hebt gij uw broeder gewonnen.
Maar luistert hij niet,
haal er dan nog een of twee personen bij,
opdat alles beruste op de verklaring van twee of drie getuigen.
Als hij naar hen niet wil luisteren, leg het dan voor aan de kerk.
Wil hij ook naar de kerk niet luisteren,
beschouw hem dan als een heiden of tollenaar.
Voorwaar, Ik zeg u:
wat gij zult binden op aarde zal ook in de hemel gebonden zijn,
en wat gij zult ontbinden op aarde zal ook in de hemel ontbonden zijn.
Eveneens zeg ik u:
wanneer twee van u eensgezind op aarde iets vragen
- het moge zijn van het wil -
zullen zij het verkrijgen van mijn Vader die in de hemel is.
Want waar er twee of drie verenigd zijn in mijn Naam,
daar ben Ik in hun midden.”

Homilie  

“Waar er twee of drie verenigd zijn in mijn Naam, daar ben Ik in hun midden."
Door iemand bij zijn naam te noemen, haal ik hem erbij, haal ik hem in mijn tegenwoordigheid. Zo is het met de mensen onder elkaar, maar zo is het ook in onze omgang met God. Wanneer wij God bij ons willen hebben, moeten wij hetzelfde doen als wanneer wij een mens bij ons willen hebben. We halen God erbij door Hem aan te roepen, door Hem bij zijn naam te noemen. Dat gebeurt in de eredienst: de Naam van God máákt de eredienst. Vanaf de oudste tijden hebben de christenen in hun eredienst God bij zijn naam geroepen: 'Maranatha.' Dat is Aramees, een oeroude liturgische formule, die ook nu nog gebeden wordt: 'Kom, Heer Jezus, kom.'

Alleen ... wanneer je een mens bij zijn naam roept, zie je hem komen. Maar wanneer we God bij zijn Naam roepen, zien we Hem niet komen. Hoe weten we dan dat Hij komt? Hoe weten we, dat we niet met een ijdele illusie te doen hebben? Weten we dat nu alleen, omdat Jezus dat gezegd heeft: "Waar er twee of drie in Mijn Naam bijeen zijn, daar ben Ik in hun midden? Of zoals Hij elders zegt: “Wat gij de Vader zult vragen, Hij zal het u geven in mijn naam" (Joh 14,14). Is dát de basis, waarop tweeduizend jaar lang mensen bijeen zijn gekomen in de naam van God?

Het lijkt zo voor de hand te liggen: wanneer we een mens roepen, zien we hem naar ons toekomen en wanneer we God aanroepen, zien we niets. Toch is dat maar de halve waarheid. Want wat wij met onze ogen van een andere mens zien, die wij bij ons roepen, is lang niet het enige, dat wij oproepen. Het is niet alleen zijn verschijning, zijn zichtbare gestalte, die wij bij ons willen hebben. Die uiterlijke verschijning, die zichtbare tegenwoordigheid is zelfs enigszins van ondergeschikte betekenis. Ondergeschikt aan dat waarom het ons eigenlijk te doen is: zijn geestelijke tegenwoordigheid, zijn tegenwoordigheid van geest, zijn aandacht, en vooral zijn liefdevolle aandacht, zijn genegenheid. En dat is iets wat je niet te zien krijgt, maar wat je wel degelijk merkt. Je ondergaat het en het doet je iets. Je put er kracht uit. En wanneer dat achterwege blijft, wanneer een ander op je roepen wel komt met zijn zichtbare, lijfelijke tegenwoordigheid, maar hij is er met zijn hart niet bij of zelfs in een geest van afwijzing of liefdeloosheid, dan wordt zijn zichtbare verschijning tot een teken van tegenspraak: een innerlijke tegenstrijdigheid.

Die geestelijke gesteltenis van het hart is wel onzichtbaar, maar toch gaat het daar juist om in iedere ontmoeting. Het gaat om het onzichtbare, om wat je niet ziet, wat niet te zien is, maar wat je toch merkt. Zo is het ook in onze omgang met God. Het is waar: anders dan bij de mensen, zien we God, wanneer we Hem aanroepen, niet aankomen. We blijven verstoken van zijn zichtbare verschijning:
"Niemand heeft God ooit gezien"
(vgl. 1 Joh 4,12). Maar ook al zien we Hem niet aankomen, we merken nog wel wat van Hem. Er gaat van Hem een kracht uit: een opwekkende kracht, die de verlamde ledematen van de lamme bij de tempelpoort nieuwe stevigheid gaf (Hand 3,1-10). Dat verhaal wordt doorverteld als aanschouwelijk beeld van wat God voor de eerste christenen heeft betekend: kracht, veerkracht, stevigheid, troost, licht. Kortom: een weldoende, weldadige invloed zoals er uitgaat van goed gezelschap. Zoals er uitgaat van een goede vriend of vriendin. God is als goed gezelschap en wie met een goed iemand omgaat wordt zelf ook goed. Omgaan met God, omgaan met Jezus is als de omgang met een heel goed iemand.

En wanneer u nu vraagt: hoe hebben de mensen nu gemerkt, dat God ook werkelijk komt, dat Hij werkelijk luistert wanneer ze Hem aanroepen, wanneer ze Hem bij zijn naam noemen, dan luidt het antwoord: ze hebben dat gemerkt aan de reddende kracht die er van Hem uitging, die er over hen kwam elke keer als ze de naam van God uitspraken en aanriepen, tenminste als ze dat deden met geloof en vertrouwen, dat hoort erbij: geloof en vertrouwen. Zo is het ook onder de mensen: mensen reageren pas op elkaar wanneer er een sfeer is van vertrouwen en geloof. Daarmee komt er nog meer overeenkomst tussen het roepen van God bij zijn naam en het roepen van een mens bij zijn naam. Bij God en mens is het onmogelijk om te zien of iemand van je houdt. Je kunt zien wat iemand voor je over heeft, wat iemand voor je doet, maar je kunt nooit zien waarom hij het voor je doet, of hij het uit echte liefde voor je doet. Wat wij van elkaar zien, is de buitenkant, zijn gebaren, zijn woorden en gedrag. Elkaars motieven, elkanders hart krijg je nooit te zien. Maar dat hoeft ook niet, want daarvoor hebben wij een eigen zintuig: niet het oog, dat geschapen is voor het zichtbare en uitwendige, maar het geloof, dat geschapen is voor het onzichtbare, het inwendige, voor de gaven die de hoogste zijn: de liefde en de goedheid.

Dat geloof is een wonderlijk instrument. Je kunt er niet alleen zien wat niet te zien is, maar je kunt er ook mee opwekken wat er nog helemaal niet is. Spreek iemand met vertrouwen aan, dan doet dat wonderen. De ander zal je vertrouwen niet willen beschamen. En al is het bij de mensen soms zo dat de ander zich blijft afsluiten voor genegenheid en vertrouwen, bij God is dat nooit zo. Een vertrouwvol gebed, daar is God niet tegen opgewassen. Dat is onweerstaanbaar. Daar kan Hij gewoon niet tegenop. Wie God met vertrouwen aanspreekt, met vertrouwen zijn naam aanroept, krijgt toegang tot zijn Hart. Wat ik u toewens, dat is, dat u nog dikwijls Gods heilige Naam zult uitspreken, met eerbied, maar vooral met vertrouwen. Want dan zult u onweerstaanbaar de reddende kracht van die Naam ervaren.