Eerste lezing: Deuteronomium 31,1-8
Evangelie: Matteüs 18,1-5.10.12-14
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd richtten de leerlingen tot Jezus de vraag:
Wie is nu wel de grootste in het Rijk der hemelen?
Hij riep een klein kind,
zette het in hun midden en zei:
Voorwaar, Ik zeg u:
als gij niet opnieuw wordt als de kleine kinderen,
zult gij het Rijk der Hemelen zeker niet binnengaan.
Wie dus zichzelf gering acht zoals dit kind
is de grootste in het Rijk der hemelen.
En wie in mijn Naam zulk een kind opneemt,
neemt Mij op.
Hoedt u er voor een van deze kleinen te minachten,
want Ik zeg u:
zij hebben engelen in de hemel en deze aanschouwen voortdurend
het aangezicht van mijn Vader die in de hemel is.
Wat dunkt u?
Wanneer een man honderd schapen heeft
en één daarvan verdwaalt,
zal hij dan niet
de negenennegentig in de bergen alleen laten
om op zoek te gaan naar het verdwaalde?
En gelukt het hem dat te vinden, voorwaar Ik zeg u,
dan zal hij over dat ene meer verheugd zijn
dan over de negenennegentig die niet verdwaald waren.
Zo ook wil uw hemelse Vader niet
dat een van deze kleinen verloren gaat.
Homilie
Wat je verloren bent, krijgt je dubbele aandacht. Je bent ermee bezig, méér dan met al het andere dat je niet kwijt bent. Er is iets zoek. Je bent iets kwijt en je hebt het nodig. Je kunt het maar niet vinden en je kunt niet zo goed zonder. Het lijkt wel of even je hele leven uit niets anders bestaat dan uit dat ene ding dat je kwijt bent. Je bent het kwijt, maar in je verlangen om het terug te vinden, heb je het méér dan alle andere dingen die je niet kwijt bent.
Zo is het met de verloren kinderen van God. Alles concentreert zich op hen, zoals op dat ene schaap. De andere bestaan gewoon niet voor de Herder. Misschien bekruipt iemand een gevoel van medelijden met die andere schapen, die negenennegentig, die nu niet zoveel aandacht krijgen. Toch is dat ten onrechte: wanneer ze hun Herder zich zo druk zien maken om dat ene weggelopen schaap, gaat er bij hen een licht op: 'Dat zou Hij dus voor ieder van ons over hebben.' In de nood leer je je vriend kennen. In de nood van dat ene verloren schaap waarop alle zorg van de Herder zich concentreert, leren alle niet verdwaalde schapen hun Herder kennen, hoe Hij er altijd voor hen is. De noodsituatie haalt uit de Herder naar boven wat er altijd al in zat, maar wat pas dan geopenbaard wordt.
Het gaat erom, dat je weet dat er zo een band is tussen jou en je Vader in de hemel. Dat een mens zich door het evangelie moet laten onderrichten, dat hij niet alleen is, dat er Iemand vol zorg met hem bezig is. "Als een herder zal Hij zijn schapen weiden, in zijn armen ze samenbrengen, de lammeren dragen tegen zijn boezem, de schapen met zachte hand geleiden" (Jes 40,11). Deze woorden van de profeet Jesaja inspireerden de kleine heilige Theresia tot haar hoogste liefdeslyriek: 'Na zulke taal kunnen wij er alleen maar het zwijgen toedoen, schreien van dankbaarheid en liefde. Ach, wanneer alle zwakke en onvolmaakte zielen voelen wat de kleinste van alle zielen, de ziel van uw kleine Thérèse voelt, zou er niet één enkele wanhopen om de top van de liefdesberg te bereiken. Jezus vraagt geen prestaties, maar alleen overgave en dankbaarheid.' Waarvoor? Voor de liefde van de hemelse Vader, die het liefste inzet voor een reddingsactie van zijn verloren mensenkinderen. De openbaring van de barmhartigheid is de zin van de zonde, is de zin van alle onzin. Wij leven in het tijdperk van Gods barmhartigheid.