Eerste lezing: Jozua 24,1-13
Evangelie: Matteüs 19,3-12
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd kwamen er Farizeeën naar Jezus toe
om Hem op de proef te stellen met de vraag:
Staat het een man vrij
zijn vrouw te verstoten om welke reden dan ook?
Hij gaf hun ten antwoord:
Hebt gij niet gelezen, dat de Schepper
in het begin hen als man en vrouw gemaakt heeft
en gezegd heeft:
Daarom zal de man zijn vader en moeder verlaten
om zich te binden aan zijn vrouw
en deze twee zullen worden één vlees?
Zo zijn zij dus niet langer twee,
een vlees als zij geworden zijn.
Wat God derhalve heeft verbonden,
mag een mens niet scheiden.
Zij zeiden Hem:
Waarom heeft Mozes dan voorgeschreven
bij het wegzenden van een vrouw een scheidingsbrief te geven?
Hij antwoordde:
Om de hardheid van uw hart
heeft Mozes u toegestaan uw vrouwen weg te zenden;
aanvankelijk was dit echter niet zo.
Ik zeg u dus:
wie zijn vrouw wegzendt - en dit niet wegens ontucht -
en een ander huwt, begaat echtbreuk;
en wie een weggezonden vrouw huwt, begaat echtbreuk.
De leerlingen zeiden Hem:
Als de verhouding tussen man en vrouw zó is,
kan men beter niet trouwen.
Hij antwoordde: Niet iedereen kan dit begrijpen,
maar alleen zij aan wie het gegeven is.
Er zijn onhuwbaren
die zo uit de moederschoot zijn voortgekomen;
en er zijn onhuwbaren
die door de mensen zo gemaakt zijn;
maar ook zijn er onhuwbaren
die zichzelf onhuwbaar hebben gemaakt
omwille van het Rijk der hemelen.
Wie bij machte is dit te begrijpen, hij begrijpe het!
Homilie
Staat het een man vrij zijn vrouw te verstoten, om welke reden dan ook?" Je hoefde maar een of andere reden te bedenken en je kon zo van je vrouw af. In de mannenmaatschappij van die dagen had de vrouw geen rechten, je kon haar zo laten vallen. De man was de heer van het huwelijk. Zo dachten de mensen toen. God komt dan ook niet op voor de rechten van de man, maar voor die van de zwakste partij, de vrouw. Tegenwoordig zou er gezegd moeten worden: ook een vrouw mag haar man niet verstoten, want ook de vrouw is niet de meesteres van het huwelijk.
Het ligt zo voor de hand om een huwelijk te ontbinden. Er zijn zoveel redenen om uit elkaar te gaan. Er is nauwelijks een geval van echtscheiding denkbaar of men kan zich de reden van het uiteengaan goed indenken. Daar is allereerst de zelfzuchtige natuur van de mens, die er meer op uit is om te ontvangen dan te geven. Het huwelijk komt onder druk te staan wanneer één van beide partijen meer vráágt dan geeft. Dat wordt voor de ander een reden om zelf ook meer te vragen dan te geven, en daaruit volgt dan weer de reden voor de ander om nog minder te geven. Een spiraal van ontbindende krachten. Kortom: een mens is nu eenmaal niet het einde. Menselijk gesproken kun je daarmee dan ook niet het einde halen. De man ziet zijn vrouw ouder worden, vooral als zij kinderen heeft gekregen en daardoor getekend wordt. Mannen reageren daar vaak op met oog te krijgen voor vrouwen die er jeugdiger uitzien. De vrouw begint na een paar jaar de grenzen van haar man te zien. Hoeveel vrouwen weten gewoon: over die en die onderwerpen hoef ik met mijn man niet te beginnen. Ze doen er het zwijgen toe, of gaan het bij een ander zoeken of bij de kinderen. De mensen zeggen dan, als ze niet meer van elkaar houden: dan moeten ze maar uit elkaar gaan. Maar de Kerk zegt: als ze niet meer van elkaar houden, wordt het tijd dat ze opnieuw met liefde beginnen. En dát begin is er altijd bij Hem die ons het eerste heeft liefgehad: de liefde van de Heer op grond waarvan de huwelijksband onontbindbaar is: Want in het christelijk huwelijk worden de mensen door God verbonden: "Wat Gód derhalve heeft verbonden, mag een mens niet scheiden." De binding van Godswege maakt het anders.
In de eerste lezing vinden wij daar een ongevraagde bevestiging van. Wat is Israël zonder God? Een te vondeling gelegd kind, een doodbloedend wezen, hongerend in Kanaän, slaaf in Egypte. Maar God kwam langs en Hij raakte erop verliefd: "Toen ben Ik voorbijgekomen en heb Ik u gezien
Toen zei Ik: Jij moet in leven blijven!" Zo is Israël volwassen geworden, een volk dat meetelt onder de naties.
Maar als de mens zich gaat toe-eigenen wat hij als gave gekregen heeft, als het hem naar het hoofd stijgt, als hij over het paard getild raakt, is het einde nabij. Dat kan op alle mogelijke manieren gebeuren, bij allerlei mensen en groeperingen, bijvoorbeeld bij een religieuze congregatie die onder de indruk komt van de eigen werken, of bij priesters die succes hebben in het pastoraat, het kan ze naar het hoofd stijgen, en zo kan dat ook in een huwelijk: kijk eens wat wij allemaal hebben! Als dat gebeurt: pas dan op, wees op uw hoede! Hoogmoed komt voor de val! Als een mens niet meer leeft uit de verbondenheid met God, uit het huwelijk met God, gaat ook zijn mensenhuwelijk te gronde.
Alle mensen, gehuwd of ongehuwd, mogen iets zichtbaar maken van Gods huwelijk met de mensen: het nieuw en eeuwig Verbond in zijn Bloed, zoals door God aan Ezechiël beloofd: "Ik zal een eeuwigdurend verbond met u sluiten." Als we ons huwelijk op het altaar samen met het verbond van God laten vernieuwen, dan kan ons huwelijk niet stuk.