Zaterdag in de eerste week
 van de Veertigdagentijd
Eerste lezing: Deuteronomium 26,16-19
Evangelie: Matteüs 5,43-48


Inleiding  

'O Jesu zie mij aan.' Wat zien wij als Jezus ons aanziet? Wij zien zijn mededogen met ons, zijn medelijden met onze zonden. In iedere eucharistie is Hij beladen met onze zonden, onze zonden die wonden slaan in zijn Lichaam en in zijn Hart. Hoe draagt Hij dat? Met koninklijke, royale, barmhartige liefde, en dat is wat wij in iedere eucharistie vieren..

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Gij hebt gehoord dat er gezegd is:
Gij zult uw naaste beminnen en uw vijand haten.
Maar Ik zeg u:
Bemint uw vijanden en bidt voor wie u vervolgen,
opdat gij kinderen moogt worden van uw Vader in de hemel,
die immers de zon laat opgaan over slechten en goeden
en het laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.
Want als gij bemint die u beminnen,
wat voor recht op loon hebt gij dan?
Doen de tollenaars niet hetzelfde?
En als gij alleen uw broeders groet,
wat voor buitengewoons doet gij dan?
Doen de heidenen dat ook niet?
Weest dus volmaakt,
zoals uw Vader in de hemel volmaakt is.”

Homilie  

“Bemint uw vijanden",
staat er in het evangelie. Dat lijkt de omgekeerde wereld. Laten we zo zeggen: het is het omgekeerde van wat wij denken dat beminnen is. Beminnen is volgens het gevoel van de mensen iemand aardig vinden, voor iemand genegenheid voelen, of sympathie. Sommigen vind je aardig of lief, en anderen niet. Maar dat heeft eigenlijk niets met beminnen te maken. Wat wij beminnen noemen, is eigenlijk geen beminnen. Daarvan zegt Jezus: "Als gij bemint die u beminnen, wat voor recht op loon hebt ge dan?" Dat is niets bijzonders, dat is geen liefde, dat is een natuurlijke neiging, iets natuurlijks. Iemand aardig vinden, dat is geen zonde, maar het is ook geen deugd. Net zo min als iets lekker vinden een deugd is of iets vies vinden een zonde is, het is gewoon een feit. Iets wordt zondig of deugdzaam afhankelijk van wat je met die gevoelens doet. Begin maar eens bij de opgave om je naaste te beminnen als jezelf. "Hebt uw naaste lief als uzelf" (Lev 19,18 en Mt 22,39). Dat betekent niet dat je jezelf aardig moet vinden, want het kan best zijn dat ik mezelf aardig vind, maar dat is al gauw een verkeerd soort eigenliefde. Daarom betekent mijn vijanden beminnen niet dat ik ze aardig vind, of dat ik wat ze mij of anderen aandoen, niet zo erg vind. En vergiffenis schenken aan je vijanden wil niet zeggen dat je het niet erg vindt wat ze gedaan hebben.

Als we nu nog een stap verder gaan, kan het best zijn dat iemand in zijn helderste ogenblikken zichzelf niet alleen niet aardig vindt, maar dat hij een hekel heeft aan zichzelf. Dat hij van bepaalde dingen moet zeggen: afschuwelijk, hoe heb ik dat kunnen doen?! En toch ben ik van mijzelf blijven houden. Het is nu juist ómdat ik van mijzelf houd, dat sommige dingen mij zo erg spijten. Dus ik keur iets af in mijzelf, en waarschijnlijk keur ik veel dingen af in mijzelf, niet omdat ik mijzelf niet lief heb, maar omdat ik mijzelf wel lief heb.

Er is in elke mens iets diepers waardoor mensen zelfs van het lijden kunnen houden. Daarom kan Jezus zelfs armen zalig prijzen, mensen die gebrek hebben, die het aan van alles en nog wat ontbreekt. Als je die lijn doortrekt naar de armoede van geest, geestelijke armoede, dat mensen echt helemaal niets hebben van zichzelf, en daarin zalig worden geprezen, kan dat alleen maar, omdat een mens meer is dan alles wat hij heeft en niet heeft. Er is een bron, een kern die hij mag liefhebben omdat God hem lief heeft, zijn 'ik'.

Dat geldt ook voor je vijanden, ook zíj zijn door God geschapen, ook zíj zijn door God verlost. Je mag het je vijanden heus wel kwalijk nemen, dat ze je van alles en nog wat hebben aangedaan, maar je mag ze niet vervloeken, niet de hel toewensen. Verdoem je ze, vervloek je ze, dan ben je zelf op weg naar de hel, dan ben je bezig zelf een baarlijke duivel te worden. Als je anderen verduivelt, ben je zelf op weg daarheen. Maar Jezus zegt: "Bemint uw vijanden, doet wel aan die u haten, zegent hen die u vervloeken en bidt voor hen die u mishandelen" (Lc 6,27-28). Blijf houden van de kern, van die bron van goddelijke liefde, die uiteindelijk iemand voor heel het leven kan redden. Wens een ander niet toe dat hij het slachtoffer wordt van zijn zonden, ook niet van de zonden en het kwaad dat tegen jou wordt aangericht. Zo blijf je door alle tegenstellingen heen verbonden met alle mensen, met mensen die je sympathiek vindt en met mensen die je onsympathiek vindt, met mensen die je aardig en mensen die je niet aardig vindt. Zo blijf je ook met het allerdiepste in jezelf verbonden en zo met God.