Eerste lezing: Jesaja 55,10-11
Evangelie: Matteüs 6,7-15
Inleiding
De heilige van vandaag, de heilige Polycarpus, is door Johannes nog aangesteld als bisschop van Smyrna, een stad in Klein Azië. Een halve eeuw lang is hij die gemeente daar voorgegaan. Een Kerk volmaakt in ongeschokt geloof. Ignatius van Antiochië, eveneens bisschop van die eerste eeuw, sloot vriendschap met Polycarpus, toen hij enige dagen bij hem in Smyrna mocht verblijven op weg naar zijn martelaarschap in Rome. Het was een oase van liefde. Polycarpus, door Johannes de Evangelist zelf aangesteld.
Polycarpus was op zijn minst zesentachtig jaar toen hij op 23 februari in het jaar 167 in het Stadion zijn martyrium inging als een feest, als een viering, een eucharistie. Protocollen berichten: de bisschop legde zijn bovenkleed af en ontdeed zich van de gordel en van zijn tuniek, want zo plachten mensen te doen als zij thuiskwamen. Zijn terechtstelling heeft hij gevierd als een thuiskomen. Hij trok zijn schoenen uit, want hij dacht bij de brandstapel, waartoe hij veroordeeld was, aan de roep uit het brandende braambos: "Doe uw sandalen uit, want de plaats waar ge staat is heilige grond." En tegelijkertijd wisten de gelovigen zich aan de liturgie herinnerd. Dan deed men als priester ook de gewone schoenen uit en trok een soort sandalen aan. Hij liet niet toe dat men hem aan een paal vastbond. Hij zou het vuur niet ontvluchten. De handen op de rug gebonden, schouwde hij naar omhoog naar de hemel en reciteerde een eucharistisch gebed, een prefatie op het Onze Vader, de Schepper van alle dingen, want Deze gewaardigde hem deel te hebben aan de kelk van Christus. Zijn gebed was een offergebed, waarin hij God smeekte dat hij zijn leven als offer mocht geven. Toen hij het plechtig Amen had gezegd, stak de dienaar het vuur aan, de vlammen omgaven hem als het bolle zeil van een zeilboot, zijn lichaam lichtte op als zilver of goud in de oven en overal in het rond was een heerlijke geur waar te nemen als van kruiden in plaats van de nare lucht van schroeiend en brandend vlees.
Er was iets van cultus, van eredienst in zijn terechtstelling. In onze eredienst zou er misschien wat meer van offer sprake moeten zijn. Want er daalt bij de eucharistie iets neer uit de hemel, maar er stijgt ook iets van de aarde naar de hemel, in het offer namelijk waarmee wij ons met God verenigen. Een moment dat wij mogen uitbuiten, zodat de offers die wij moeten brengen niet met onze eigen liefdeskracht worden gebracht, maar met de liefdeskracht van onze Heer Jezus, met wie wij direct in verbinding staan.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
Als gij bidt,
gebruikt dan geen omhaal van woorden, zoals de heidenen;
want deze menen
dat zij door hun veelheid van woorden verhoring zullen vinden.
Volgt hun voorbeeld dus niet na,
want vóórdat gij Hem vraagt,
weet uw Vader wat gij nodig hebt.
Gij moet daarom zo bidden:
onze Vader die in de hemel zijt,
uw Naam worde geheiligd;
uw Rijk kome,
uw wil geschiede
op aarde zoals in de hemel.
Geef ons heden ons dagelijks brood.
En vergeef ons onze schulden,
zoals ook wij vergeven hebben aan onze schuldenaren.
En leid ons niet in bekoring,
maar behoed ons voor het kwaad.
Want als gij aan de mensen hun fouten vergeeft,
zal uw hemelse Vader ook u vergeven;
maar als gij niet vergeeft aan de mensen,
zal ook uw hemelse Vader uw fouten niet vergeven.
Homilie
Als gij bidt, gebruikt dan geen omhaal van woorden, zoals de heidenen; want deze menen dat zij door hun veelheid van woorden verhoring zullen vinden. Jezus spreekt tot de Joden, omringd door heidenen. De Joodse profeet Elia roept de heidense Baalpriesters toe: Roept toch wat harder; hij is immers een god? Hij is zeker in gedachten verzonken of heeft hij zich afgezonderd of is op reis; misschien slaapt hij wel en moet hij gewekt worden. Toen riepen ze nog harder en kerfden zich naar hun gewoonte met zwaarden en speren, tot het bloed langs hun lijf droop. Het middaguur verstreek, maar zij gingen er als razenden mee door tot de tijd van het avondoffer; maar er klonk geen geluid en er kwam geen antwoord; zij vonden geen gehoor. Elia bad: Geef antwoord Heer, geef antwoord, opdat dit volk erkent dat gij, Heer, de ware God zijt, en keer zo hun hart weer tot U. Toen sloeg het vuur van de Heer neer, verteerde het brandoffer, het hout, de stenen en het stof; het likte zelfs het water in de geul op" (1 Kon 18,27-29.37-38).
De heidense godsdienst is vol van schokkend ritueel. De christelijke godsdienst is meer innerlijk. De gelovige mens hoeft zich bij het bidden niet zo in te spannen, omdat het veeleer God is die het doet. "Volgt hun voorbeeld dus niet na, want vóór gij Hem vraagt, weet uw Vader wat gij nodig hebt." Dit moet in ons leven, in heel onze levenshouding doordringen. Wat doen de heidenen in het gewone leven? Zij maken zich zorgen over de vraag: "Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of wat zullen wij aantrekken? Dat alles jagen de heidenen na, maar uw hemelse Vader weet wel, dat gij al deze dingen nodig hebt (Mt 6, 32). Wat doen de heidenen in de omgang met elkaar? Als gij alleen uw broeders groet, wat voor buitengewoons doet gij dan? Doen de heidenen dat ook niet?" (Mt 5,47) Wij hebben een stille godsdienst: de profeet Elia vond God, niet in het vuur, niet in de aardbeving, en niet in het geweld van de bliksem, maar na het suizen van een zachte bries (1 Kon 19,12).
Hij is er voor de "stillen in den lande (Ps 35,20), Keer u stil tot de Heer (Ps 37,7). Bij God alleen verstilt mijn ziel, van Hem blijf ik het wachten (Ps 62,6). In stille berusting ligt uw redding, in rustig vertrouwen uw kracht (Jes 30,15-16). Neen, bedaren liet ik, verstillen mijn ziel, als een kind bij zijn moeder geborgen; als dat kind, zo voel ik mijn ziel. Dat Israël wachte de Heer, van thans tot in eeuwigheid (Ps 131,2-3). Jezus kan met recht een 'stille in den lande' genoemd worden: Hij schold niet terug en dreigde niet, maar liet zijn zaak over aan Hem die rechtvaardig oordeelt" (1 Pe 2,23). Zelf deed Hij niets anders dan vergeven. Vergeven is: niet zelf doen, niet zelf redden, zelf willen zorgen, maar Hem laten doen, in geloof.