Donderdag in de eerste week
  van de Veertigdagentijd
Eerste lezing: Ester 14,1-3.5.12-14  
Evangelie: Matteüs 7,7-12


Inleiding    

'Cibavit,' 'Hij heeft gevoed, gespijzigd,' zongen we in het openingslied. Voedsel geven dat is wat mensen doen, wat ouders voor hun kinderen doen, maar dat is óók wat God doet. God in de hemel doet zoiets gewoons, zoiets aards, zoiets menselijks voor de mensenkinderen, namelijk: ze voeden, spijzigen, opvoeden, verzorgen. Het is een beeld van de eigenlijke spijs waarmee Hij ons voedt, en waarmee ook mensen elkaar plegen te voeden. Door het brood heen, door de lichamelijke zorg heen, voeden zij met liefde. De liefde is de spijs voor de ziel, zonder dat kan het lichaam niet groeien, want de lichamelijke spijs alleen is niet voldoende.
God blijft ons voeden. Het is maar een heel klein beetje, ten teken dat het lichamelijke voedsel niet het eigenlijke is. Hij geeft ons spijs voor de hemel: zijn liefde! Hij doet dat ook als mensen maar weinig opnamebereid zijn, als mensen zich niet voor die liefde openstellen, of de liefde van God met onverschilligheid, of zelfs met afkeer beantwoorden. Zoals ouders dat soms ook met hun kinderen moeten meemaken. Mensen kunnen afhaken, maar Hij blijft doorgaan. Zijn liefde is trouw in menselijke trouweloosheid.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Vraagt en u zal gegeven worden;
zoekt en ge zult vinden;
klopt en er zal worden opengedaan.
Want al wie vraagt verkrijgt;
wie zoekt vindt
en voor wie klopt doet men open.
Of is er wel iemand onder u
die zijn zoon een steen zal geven als hij om brood vraagt?
Of een slang wanneer hij vraagt om een vis?
Als gij dus, ofschoon gij slecht zijt,
goede gaven weet te geven aan uw kinderen,
hoeveel te meer zal dan uw Vader die in de hemel is,
het goede geven aan wie Hem daarom vragen.
Alles wat gij wilt dat de mensen voor u doen,
doet dat ook voor hen.
Dat is Wet en profeten.”

Homilie    

In de eerste lezing horen we hoe koningin Ester in doodsnood is. Zij verkeert in de situatie van het kind. Zoals een kind niemand anders heeft dan alleen zijn ouders en zichzelf niet kan helpen, zo verkeert koningin Ester, met al haar macht, in een situatie waarin niemand haar kan helpen dan God alleen.

Ook een kind kan, net als koningin Ester, zeggen: Vader, moeder, u bent de enige, kom mij te hulp. "Ik, die alleen sta, die geen andere helper heeft dan U, kom mij te hulp, ik heb niemand anders dan U."
    
J
ezus houdt de situatie van het kind voor als dé situatie die het meest gemeen heeft met het gebed. Wat het kind heeft ten aanzien van zijn ouders, dat hebben mensenkinderen ten aanzien van God. Eigenlijk is de situatie van het kind er één van een gecontinueerde nood, een voortdurende toestand van nood, van gebrek. Er is een instantie nodig die het te hulp komt, de ouders, het gezin, een voortdurende hulpverlening. Heeft het kind gebrek aan voedsel, drank, onderdak, kleding, bescherming tegen gevaren, dan zijn er de ouders die zorgen. We weten hoe erg het is wanneer ouders verstek laten gaan, omdat ze zelf geen middelen hebben om het kind te verzorgen en te voeden, of omdat ze geen liefde hebben. Dan is het kind nergens meer, dan is het kind in doodsnood en als dat op jonge leeftijd geschiedt, loopt het kind voor het leven schade op, schade aan de ziel.

Nu bevindt koningin Ester zich in zo'n situatie, een tekort waarin zij zelf niet kan voorzien. Zij is de gemalin van een heidense koning en moest zich tot hem richten met een smeekbede, om te verhinderen dat de snode plannen van een wrede regeringsfunctionaris, die het gemunt had op het bestaan van het Joodse volk, doorgang zouden vinden. Maar ze kon niet zomaar bij de koning binnenlopen. Wie ongenood bij de koning binnenkwam, zonder te zijn geroepen, kon de dood verwachten, zelfs de koningin. Maar als koningin Ester hem niet zou overhalen in te grijpen, zou haar volk ten onder gaan. Een verschrikkelijk dilemma. In die nood richt zij zich tot God van wie zij in haar geloofstraditie gehoord had, dat het een God is die met zijn hart betrokken is op de nood van zijn volk. Het is echt een beschermer-God, een helper-God, een Vader-God, een moeder-God.
Dat is dan ook bij uitstek de situatie van het gebed. Niet dat alle gebed nu per se vraaggebed moet zijn, maar alle gebed moet iets van het vraaggebed hebben, van het vragen als dat van kinderen tegenover hun ouders.

Dat betekent op de eerste plaats dat er niemand en niets is tussen jezelf en God. Een verhouding van onmiddellijkheid. En die verhouding van onmiddellijkheid ontstaat vanzelf wanneer mensen in grote nood zijn. Als zij bij niemand anders redding of hulp kunnen verwachten, kunnen zij hulp verwachten van God, Hij is hun enige hulp, zo heet Hij dan ook: de Enige.

Ten tweede is daarvoor nodig dat je gelooft dat die onmiddellijkheid er van Gods wege ook is, niemand en niets er tussen, dat jij voor God de enige bent, de enige die ertoe doet. Mensen hebben in de omgang met voornamere personen - maar het kan ook met gewone medemensen zijn - wel eens het gevoel: die zijn nog met iets anders bezig, ze luisteren maar met een half oor.

Bij de intredezang hebben wij gezongen: 'God, luister met uw oren, met heel uw oor.' U bent er helemaal bij. Je mag van onze God verwachten dat Hij van zijn kant er helemaal is, dat Hij niet ook nog met iets anders bezig is, dat Hij niet aan iets anders denkt, nee,  zijn hart is er helemaal bij. Hij is dé Enige, Hij is voor ons als de enige, en wij zijn als de enige voor Hem. Dat is de inzet van het gebed.

Laten wij zijn zoals kinderen, zoals Gods eigen Kind, als zijn eigen Zoon. En laten wij kinderen zijn in de Zoon, die dan ook met hetzelfde voedsel worden gevoed als zijn eigen Zoon, dat is: met Gods liefde, met Gods heilige Geest, en met het brood dat zijn eigen Zoon is: het hemelse manna, het hemelse voedsel. Als kinderen van God leven wij van God.