Eerste lezing: Ezechiël 18,21-28
Evangelie: Matteüs 5,20-26
Inleiding
'
vertroosten in Jezus' lijden groot
', zo zongen we in het openingslied. Troost vinden in het lijden van een ander, hoe kan dat nu? We vinden geen troost in Jezus' lijden op zich, maar in de manier waarop Hij geleden heeft. Jezus heeft het lijden beantwoord met geduld, met vergevingsgezindheid. Wanneer wij kwaad doen tegen onszelf, tegen anderen, of tegen God, dan weten wij hoe Hij dat opvangt. Hij beantwoordt haat met liefde, en kwaad met goed. Hij maakt van ons kwaad goddelijke goedheid, zodat het kwaad nooit het laatste is. Dát zien wij in 'Jezus' lijden groot', dat zijn liefde sterker is dan het kwaad. Dát is wat wij in de eucharistie vieren, dat is wat de eucharistie tot een feest maakt, een feest van zelveloze liefde.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
Als uw gerechtigheid
die van de schriftgeleerden en Farizeeën niet ver overtreft,
zult gij zeker niet binnengaan in het Rijk der hemelen.
Gij hebt gehoord, dat tot onze voorouders is gezegd:
Gij zult niet doden.
Wie doodt zal strafbaar zijn voor het gerecht.
Maar Ik zeg u:
Al wie vertoornd is op zijn broeder,
zal strafbaar zijn voor het gerecht.
En wie tot zijn broeder zegt: raka,
zal strafbaar zijn voor het Sanhedrin;
en wie zegt: dwaas,
zal strafbaar zijn met het vuur van de hel.
Als gij uw gave komt brengen naar het altaar
en daar schiet u te binnen dat uw broeder iets tegen u heeft,
laat dan uw gave voor het altaar achter,
ga u eerst met uw broeder verzoenen
en kom dan terug om uw gave aan te bieden.
Haast u het eens te worden met uw tegenpartij,
zolang ge nog met hem onderweg zijt;
anders zou uw tegenpartij
u wel eens aan de rechter kunnen overleveren,
en de rechter u aan de gerechtsdienaar,
en zoudt gij in de gevangenis worden geworpen.
Voorwaar, Ik zeg u:
Ge zult daar niet uitkomen,
voordat ge tot de laatste penning hebt betaald.
Homilie
Als uw gerechtigheid die van de schriftgeleerden en Farizeeën niet ver overtreft." En dat was een gerechtigheid waar iedereen een puntje aan kon zuigen. Het was onmogelijk de schriftgeleerden en de Farizeeën op een fout te betrappen. Ze maakten een sterk punt van die gerechtigheid en gingen veel verder dan officieel verboden of toegestaan was. Bijvoorbeeld: Gebood de wet dat de leveranciers tienden zouden betalen van zaken als munt, anijs en komijn (Mt 23,23), dan betaalden de schriftgeleerden en Farizeeën dat ook nog eens zelf over wat ze kochten aan munt, anijs en komijn. Zo van: de leverancier mocht het eens vergeten zijn.
De gerechtigheid van Farizeeën en schriftgeleerden is duidelijk een uiterlijke gerechtigheid. Als je maar aan de Wet voldoet, als ze je maar niet kunnen betrappen op het overtreden van de Wet. Alles wat daar buiten valt, is niet belangrijk. Eigenlijk is dat de gerechtigheid van gewone mensen, van de fatsoenlijke, nette burgers. Mensen die geen vlieg kwaad doen, zich netjes gedragen, de regels onderhouden. Het is eigenlijk de gerechtigheid die in het kloosterleven als uitgangspunt wordt genomen. De regel ordent het openbare leven in het klooster tot in de puntjes en schept daarbij een kader, waarbij het bijna fysiek onmogelijk is om ernstige overtredingen te begaan, zelfs al zou je het willen. Het gaat gewoon niet! Het is natuurlijk niet de bedoeling om de gerechtigheid daartoe te beperken, maar, en dat is het uitgangspunt, het moet in ieder geval in orde zijn.
Het gaat echter niet om de buitenkant maar om de innerlijke gerechtigheid, de overtreffende gerechtigheid die Jezus op het oog heeft: de gerechtigheid van het hart, de zuiverheid van hart. Dat is toch waar de religieus zich op toelegt, op de binnenkant, het gaat toch "om het gewichtigste van de Wet, zegt Jezus, om rechtvaardigheid, barmhartigheid en trouw" (Mt 23,23). Het gaat toch niet alleen om het schoonmaken van de buitenkant van de beker en de schotel, waarmee de Farizeeën altijd zo driftig bezig waren. Poetsen, poetsen en nog eens poetsen. Kijk eens hoe netjes - rechtvaardig - wij zijn.
Nee, zegt Jezus, ook de binnenkant van de beker - je hart - moet schoon, dat heeft de voorrang, dan wordt de buitenkant vanzelf rein. Dat zegt Hij ook tot ons, en wij kunnen dat van Hem leren, van Hem met het zachte gemoed, de zachte binnenkant, de nederigheid van geest. "Leert van Mij, Ik ben zachtmoedig en nederig van hart" (Mt 11,29).
Jezus maakt dat in het evangelie van vandaag duidelijk aan de hand van twee voorbeelden. Hij haalt het voorbeeld aan van iemand die een ánder een boos hart toedraagt en daarna geeft Hij een voorbeeld van iemand die merkt dat een ander het moeilijk heeft met hém. In het eerste voorbeeld ligt de moeilijkheid bij zichzelf en bij het tweede voorbeeld ligt de moeilijkheid bij de ander.
Bij het eerste voorbeeld kunnen we ons afvragen wat de wet zegt, als iemand in zijn kwaadheid het zo ver laat komen dat hij overgaat tot moord, tot doodslag. De wet zegt: Dat mag niet, doodslag is strafbaar voor het gerecht. Ze kunnen je aangeven, voor het gerecht dagen en straffen. Ja, maar wat zegt de wet nu over de binnenkant, over wat er aan de moord is voorafgegaan in het hart? Mag dat dan wel? Is dat dan wel gerechtvaardigd? Mag je je daarin maar laten gaan? Je opwinden over een ander, zitten broeien om een ander een hak te zetten, plannen bedenken hoe je iemand eens een keer mores kunt leren, koekjes kunt geven van eigen deeg, en je daarover alvast verkneukelen. Dat zijn dingen die in de gewone omgang met elkaar toch gewoon zijn.
De wet zegt daar niets over. De Tien Geboden zeggen dat je niet mag begeren, dat zegt dus wel iets over het hart. Maar je kunt er niet om voor het gerecht gedaagd worden. Kun je dan toch zomaar je gang gaan? Zo van: 'Een ander ziet het toch niet; niemand die het merkt. Gedachten zijn vrij van invoerrechten. Ze kunnen je koffers openmaken bij de douane en je controleren op contrabanden, maar geen douaneofficier zal ooit vragen naar de gevoelens van je hart, maak je hart maar eens open zodat wij kunnen kijken wat daar in zit. Vertel ons je gedachten maar eens.
In het Rijk van God is het precies tegenovergesteld. God ziet juist de binnenkant en Hij vraagt ons daarover verantwoording af te leggen. Hij kijkt naar waar de boze daden vandaan komen: uit een boos innerlijk, uit neerbuigend denken en spreken over anderen, iemand een sufferd noemen, dwaas, halve gare, gek, idioot. Maar moet dit dan allemaal met de allerstrengste straffen worden beboet? Is wat er allemaal gezegd wordt, waarmee gedreigd wordt, strafbaar voor het Sanhedrin, moet dat gestraft worden met het vuur van de hel? Schiet de Heer met deze dreigementen niet over zijn doel heen? Er wordt wel eens gezegd: 'Het kwaad straft zichzelf.' Het vuur van de hel breekt vanzelf op aarde los. Daar zijn genoeg voorbeelden van, bijvoorbeeld: de hel in de Tweede Wereldoorlog tegen de Joden; het grieven van gelovigen van wat voor godsdienst dan ook. Dat wekt een ontketening op van hellevuren op aarde, het brengt dood en verderf met zich mee. Dat is wat Jezus in het vooruitzicht stelt als mensen hun broeders, hun medemensen "raka, dwaas, noemen. Want, zegt sint Jan in zijn eerste brief: De mens zonder liefde is nog in het gebied van de dood (1 Joh 3,14), draagt de dood nog in het hart. En hij zegt ook nog: Ieder die zijn broeder haat is een moordenaar, en ge weet dat geen moordenaar eeuwig leven in zich heeft" (1 Joh 3,15).
Het tweede voorbeeld dat Jezus geeft, gaat over dat een ander iets tegen míj heeft. "Het schiet u te binnen dat uw broeder iets tegen u heeft." Als zo iemand naar de tempel gaat, naar het altaar, waar normaal gesproken de zonden worden vergeven, waar de relatie tussen God en de mens wordt hersteld, zou zo iemand dan de bedorven verhouding met zijn broeder kunnen laten voor wat die is, omdat hij hem of haar de schuld geeft? Nee, zegt Jezus, je kunt niet voor God verschijnen om je met Hem te verzoenen, als je je niet eerst hebt verzoend met je broeder.
Want het sacrament waarvan wij leven in de Kerk, de eucharistie, is nu juist bedoeld om ons met God te verzoenen, en díe verzoening met God moet hart en ziel worden van een verzoende samenleving. Jezus' verzoenende werking in de eucharistie is niet bedoeld om Hem te ontvangen en daar een goed gevoel bij te hebben, om dan weer met je eigen leven verder te gaan zonder verzoening, zonder effect te hebben op de onverzoende gevoelens jegens onze naasten. Nee, we krijgen Jezus in de eucharistie als hart en ziel voor heel ons leven, voor heel ons samenleven, als we tenminste dat verzoenende gebaar van God jegens ons, die verzoenende woorden, ook werkelijk in ons hart laten binnenkomen. Dan zal het ook gemakkelijker vallen om ons met elkaar te verzoenen.