Eerste lezing: Jesaja 55,10-11 [I 92]
Evangelie: Matteüs 6,7-15 [I 93]
Inleiding
Pas als iemand helemaal op de bodem van de put is aangeland, helemaal nergens meer is, bij niemand, wie dan ook, hulp kan vinden, dan pas wordt het duidelijk dat God de Enige is die de mens kan helpen en die de mens ook wil helpen, die met de mens begaan is, ook wanneer hij niet in de diepte is. Hij wordt ons gegeven op onze levensweg, in deze psalm met hoogtepunten en dieptepunten. Maar ook als het leven rustig voortkabbelt, mogen we weten: God is bij ons. Dat we dat bewustzijn meestal niet zo helder hebben, dat wij Hem dat vertrouwen niet geven, is dat eigenlijk niet onze zonde?
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
Als gij bidt, gebruikt dan geen omhaal van woorden,
zoals de heidenen;
want deze menen dat zij door hun veelheid van woorden
verhoring zullen vinden.
Volgt hun voorbeeld dus niet na,
want vóórdat gij Hem vraagt,
weet uw Vader wat gij nodig hebt.
Gij moet daarom zo bidden:
onze Vader die in de hemel zijt,
uw Naam worde geheiligd;
uw Rijk kome,
uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.
Geef ons heden ons dagelijks brood.
En vergeef ons onze schulden,
zoals ook wij vergeven hebben aan onze schuldenaren.
En leid ons niet in bekoring,
maar behoed ons voor het kwaad.
Want als gij aan de mensen hun fouten vergeeft,
zal uw hemelse Vader ook u vergeven;
maar als gij niet vergeeft aan de mensen,
zal ook uw hemelse Vader uw fouten niet vergeven.
Homilie
Het gebed moet hoog beginnen, hemelhoog, zoals de regen en de sneeuw uit de hemel vallen, zoals het Woord van God uit de hemel komt. "Gij moet daarom zo bidden: Onze Vader, die in de hemel zijt. Uw Naam
, uw Rijk
, uw wil
". Gebed moet hoog beginnen, hemelhoog. Je kleine leven loslaten. Je kleine wereld, waar je soms reddert en zorgt dat het een lieve lust is, loslaten, en ook de grote wereld loslaten. Heel onze menselijke geschiedenis, je eigen lot, je gevoelens, gedachten, zorgen. Die verliezen zich vanzelf in de onmetelijkheid van het heelal. Het worden stofjes. De hemel is een beeld van de grootheid, de weidsheid van God. Tegenover God moet alles zwijgen. Geen omhaal van woorden. "Als gij bidt gebruik dan geen omhaal van woorden zoals de heidenen, want dezen menen dat zij door hun veelheid van woorden verhoring zullen vinden." Alles wat van de aarde opstijgt, maakt zich bewust van zijn nietswaardigheid, zijn grondeloze nietigheid.
Hoe kom je er dan toe je tot God te richten? Om zo je eigen positie los te laten, te relativeren, betrekkelijk te maken? Nood leert bidden. Nood leert je je eigen absoluutheid los te laten. Want als we tenslotte dan toch maar omhoog kijken, omdat wij niet weten waar wij het anders vandaan moeten halen, wat zien we dan? God ziet naar beneden. Hij ontwaart ons. Hij weet wat er in ons hart omgaat. "Voordat wij Hem vragen weet uw Vader wat ge nodig hebt." Daarin toont zich ons nog wel het meest Gods grootheid, dat Hij oog heeft voor de kleine mens, dat Hij beter weet wat er in diens hart omgaat dan de kleine mens zelf, dat Hij dichter bij ons is dan wij bij Hem. "Verkoopt men niet twee mussen voor een stuiver en toch zal buiten de wil van uw Vader niet één mus op de grond vallen" (Mt 10,29). Wanneer je valt in een afgrond van nietigheid, wees dan toch niet bang. De ene afgrond roept de andere op. De afgrond van het niet, dat stofje in het heelal uitgeleverd aan de machten van het al, van de natuur en de geschiedenis, jij kleine mens, je bent groot, want je leeft als een kind in de schoot van de Vader.
In het gebed kan het zo gaan, zoals het soms ook gaat in de menselijke geschiedenis, de menselijke omgang. Je bent ergens vol van, je moet je verhaal kwijt en je begint te vertellen en bij de eerste oogopslag, de manier waarop de ander ons aanziet, weet je: 'oh, hij weet het al. Hij weet alles al. Blijkbaar was hij al die tijd al met mij bezig. Dat gesprek, die ontmoeting geeft hem geen nieuwe informatie, hij leefde met mij mee. Ik dacht dat ik alleen was met mijn leed, met mijn vreugde en ik had de bedoeling mij uit de eenzaamheid te bevrijden. Maar nu merk ik: ik was niet alleen. Hij leefde met mij mee.' Zo is het gegaan in de verhouding tussen God en zijn volk. Het draaipunt, de ontdekking: "Ik heb de ellende van mijn volk in Egypte gezien" (Ex 3,7). Hij weet ervan! We dachten dat we alleen waren en dat onze noodkreten zich in de ijle leegte verloren. Dat dachten we, maar we merkten: "Ik heb zijn jammerklachten om zijn onderdrukkers gehoord. Ja, Ik ken zijn lijden" (Ex 3,7). God leeft vlak bij zijn volk, met zijn wel en met zijn wee. Niets ontgaat Hem. Je kunt alles veilig en met een gerust hart aan Hem overlaten. Als wij met heel ons leven, met heel ons gedrag, heel ons vertrouwen op Hem gericht blijven, op de heiliging van zijn Naam, op de komst van zijn Rijk, op de vervulling van zijn wil, dan zal God voor de rest zorgen. "Geef ons heden ons dagelijks brood. Vergeef ons onze schulden. Verlos ons van het kwade."
Het is een revolutie, maar een geweldloze revolutie. Je moet alleen jezelf geweld aandoen, want het is een ommekeer in de verhoudingen tussen de mensen, en binnenin de mens zelf. Je bent gewend om te vaderen, te moederen, je eigen wil, je eigen recht door te drukken of op te leggen, of op je strepen te staan, macht uit te oefenen. En daar tegenover: de houding van het kind, luisterbereid, verwachtingsvol, vertrouwen, vertrouwelijk, één van geest met de Vader. En de overgang, het draaipunt, de wissel, is het besef dat Hij ons kent. Dat is eigenlijk de heilige Geest. Dat is het Woord van God dat in ons aardse hart valt en vrucht voortbrengt. De heilige Geest is het vertrouwen dat wij weten dat Hij met ons meeleeft, dat Hij ons aanvoelt. "Weet je wel dat God een vriend heeft, dat Hij die groot maakt, dat Hij naar hem luistert als hij Hem aanroept?" (Ps 4) De psalmen staan vol hulpkreten, noodkreten. We zijn er deze viering mee begonnen en in de tussenzang nog een keer. Klagen en schreien, het lijken monologen, klachtenlitanieën die uitgesproken worden maar niet aanhoord. Je brief valt in de bus, je weet niet of en hoe die aankomt en dan ineens is er de zekerheid: "Ik heb het schreien van mijn volk in Egypte gehoord, Ik ken zijn lijden." God heeft mijn smeken gehoord, Hij heeft naar mijn bede geluisterd.
Wat is er nodig voor het christelijke gebed? Twee dingen: je klein maken, alles loslaten betekent dat, of liever gezegd: de werkelijkheid van je kleinheid bewust onder ogen zien, alle ruimten geven tot je het helemaal goed vindt niets te zijn uit jezelf.
En de tweede stap: God alles laten zijn voor jou. Niet op zijn plaats gaan staan, maar Hem de plaats geven die Hem toekomt, die Hij heeft. Hij zorgt! "Ik heb u geschreven in de palm van mijn hand (vgl. Jes 49,16). Zou een moeder haar kind kunnen vergeten, de vrucht van haar schoot? En zou zij het vergeten, Ik vergeet u nooit" (Jes 49,15). Als het tot het wezen van God hoort, als het tot het wezen van een vader of moeder hoort om met hun kind vergroeid te zijn, één wezen uit te maken, dan mogen die twee: het besef van eigen kleinheid en het vertrouwen, zich aan elkaar optrekken. De eerbied voor zijn Majesteit, de hemel, zo groot, zo wijd, zo uitgestrekt en je dan te binnen brengen dat Hij Zich met zijn grootheid ons ten dienste stelt. "De Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen" (Mt 20,28; Mc 10,45). In de broodgestalte, zo dichtbij, zo gewoon, zo broos, zo kwetsbaar, zo nabij. Ben je bang van God, roep je dan de geschiedenis van het volk te binnen. Roep je de geschiedenis van Jezus te binnen, die op het dieptepunt van zijn leven, beladen met de zonden van de mensen, één woord sprak: 'Abba-Vader', 'lieve Vader'. Met dat ene woordje heeft Jezus de eindeloos diepe afgrond overbrugd met een onmetelijk kinderlijk vertrouwen.