Donderdag in de eerste week
 van de Veertigdagentijd
Heilige Cyrillus, monnik, en Methodius, bisschop
                   
Medepatronen van Europa
                            (eigen lezingen)


Eerste lezing: Handelingen 13,46-49 [IV 224]
Evangelie: Lucas 10,1-9 [IV 247]


Inleiding      

Cyrillus en Methodius zijn de vrienden van de Heer die, volgens het intredelied, getuigen van Gods macht en van zijn koninklijke luister. Zij hebben namelijk het monopolie van de drie talen doorbroken. De eredienst kon alleen worden gevierd in drie talen, het Hebreeuws, het Grieks en het Latijn. Cyrillus en Methodius hebben het Slavisch aan de talen van liturgie toegevoegd. Ook daarin kon God worden geëerd, worden bezongen. En wij staan nu voor de opgave om de heilige Schrift, het Woord van God, tot ons te laten spreken in de taal van de Geest. De taal van de Geest is de taal die ieders hart persoonlijk verstaat. Dat God in de vele woorden die nu tot ons gericht worden, die woorden laat horen die tot mij persoonlijk gericht worden. De heilige Geest maakt ons luisterbereid voor het Woord van God voor míj.
Belijden wij dan eerst onze schuld, dat wij ons door verstand en gevoel laten leiden, maar te weinig door de heilige Geest.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd wees de Heer tweeënzeventig leerlingen aan
en zond hen twee aan twee voor Zich uit
naar alle steden en plaatsen
waarheen Hijzelf van plan was te gaan.
Hij sprak tot hen:
“De oogst is groot, maar arbeiders zijn er weinig.
Vraagt daarom de Heer van de oogst
arbeiders te sturen om te oogsten.
Gaat dan, maar zie,
Ik zend u als lammeren tussen wolven.
Neemt geen beurs mee, geen reiszak, geen schoeisel
en groet niemand onderweg.
Laat in welk huis gij ook binnengaat uw eerste woord zijn:
Vrede aan dit huis!
Woont daar een vredelievend mens,
dan zal uw vrede op hem rusten.
Zo niet, dan zal hij op u terugkeren.
Blijf in dat huis en eet en drinkt wat zij u aanbieden,
want de arbeider is zijn loon waard.
Gaat niet van het ene huis naar het andere.
In elke stad waar ge binnengaat en ontvangen wordt,
eet wat u wordt voorgezet, geneest de zieken die er zijn
en zeg tot hen: Het Rijk Gods is u nabij.”

Homilie  

Is die taal dan zo belangrijk voor de liturgie? Die taal is zo belangrijk omdat dat het instrument is waarmee mensen zich de werkelijkheid eigen maken en zich ook de werkelijkheid van God eigen maken. Eerst was God de God van de Joden. Hij wilde een God van mensen zijn, niet een God van plaatsen, van plaatselijke heiligdommen. Hij is met mensen begaan, met hun geschiedenis, met hun wel en wee. En mensen leven in groepen, in families, in volken. Dus kon God er niet omheen, wilde Hij echt een God van mensen zijn, een God te zijn van een volk, van een bepaald volk, van het volk van Joodse mensen, met hun taal, hun cultuur, hun wetten, waarden en gebruiken, hun geschiedenis. Zo kon God met zijn Geest heel het leven van gelovige mensen doordringen.

In hun eigen taal leren kinderen tot God te bidden, God met hun leven te verbinden. Jezus wilde dat alle volkeren God zouden vereren in hun eigen taal, met hun eigen cultuur, met hun eigen woorden. Daarvoor moest de eenmaligheid, of uitzonderlijkheid van dat ene volk van God worden opgegeven; ook de heidenen kregen het evangelie verkondigd in hun eigen taal, dat was toen het Grieks en het Latijn. En zo waren er drie talen: het Hebreeuws, het Grieks en het Latijn.
Maar het christendom drong door tot gebieden waar geen Grieks of Latijn werd gesproken, maar Slavisch. Toen moest het monopolie van die drie talen worden doorbroken. Een nieuwe universaliteit. Daarvoor hebben de heiligen van vandaag Cyrillus en Methodius zich ingezet. Ze hebben hun leven daarvoor ingezet. 'Schijnt de zon niet over allen', zeiden ze, 'ademen wij niet allemaal dezelfde lucht in? En is Christus niet gestorven om ons allen de paradijselijke eenheid met God, die wij door de zonde van Adam verloren hebben, terug te schenken? Moeten niet alle afgronden tussen de volkeren en de standen worden overbrugd door de alomvattende liefde van God?'

Universeel, dat betekent voor alle volkeren, voor alle culturen en alle talen, maar daarin voor alle enkelingen, voor iedere mens persoonlijk. De Heer is niet alleen onze God, maar ieder kan ook zeggen: 'de Heer is mijn God.' God wil voor elke gelovige zo eigen zijn als vader en moeder voor hun kind. Hij wil dan ook aangesproken worden zoals een kind zijn vader aanspreekt. 'Als ge bidt zeg dan: Abba-Vader.' Precies hetzelfde woord waarmee Jezus zijn Vader aansprak. 'Abba', 'lieve Vader'. Liever nog met een verkleinwoord: 'papa', 'vadertje'. Als we nog heel klein zijn, wil God al onze God zijn. Dat doet Hij door de heilige Geest. Door de heilige Geest kan Hij in onze versteende harten doordringen.

Het is een wonderbaarlijk gebeuren dat de Joden, juist zij, het evangelie verkondigden aan heidenen, in een volstrekt ander milieu, een andere cultuurkring, waar men nog nooit over God gehoord had, en dat de harten van die heidenen gevoelig werden voor de Blijde Boodschap van het evangelie, voor de Blijde Boodschap dat de God van de Joden ook hún God was. "Ik heb u geplaatst als een licht voor de heidenen, omdat gij tot redding zou strekken tot aan het uiteinde van de aarde." Dat gaat door, ondanks de afwijzing van de Joden, die Jezus niet als de Messias erkenden, ondanks de onverschilligheid, de kilte of koelheid van de traditionele christenen.

Een wijze uit het Oosten vertelde eens de volgende parabel over mensen die hun hele leven in de godsdienst waren ondergedompeld, zoiets als monniken of monialen.
'Op zekere dag zat ik in de Himalaya aan de oever van een rivier. Ik raapte uit het water een steen op, een mooie ronde harde steen. Ik sloeg hem in stukken. Van binnen was hij kurkdroog. Lang had deze steen in het water gelegen, maar het water was er niet in doorgedrongen. Zo is het ook met mensen in traditioneel christelijke streken. Ze leven in het christelijk geloof, ze onderhouden christelijke gebruiken, ze ademen erin, ze bidden erin, maar het is niet tot hen doorgedrongen. De schuld hiervan ligt niet bij het christendom, maar bij de versteendheid van de harten. Zoals Jezus zegt: Het zaad valt op rotsige bodem, waar het niet veel aarde had om wortel te schieten. En zo verwondert het me niet, zegt die wijze uit het Oosten, dat vele mensen niet kunnen begrijpen wie Christus is.'

De heilige Geest kan die verstening doorbreken. Luister maar naar de hymne van de heilige Geest:
             'Maak weer zacht wat is verstard,
              koester het verkilde hart,
              leid die zelf de weg niet vond.'
De heilige Geest maakt het hart luisterbereid voor wat God persoonlijk tot de harten wil zeggen, waardoor Hij de God kan zijn voor u, hier en nu, want Hij spreekt de taal van het hart, de taal van de Geest.