Eerste lezing: Ezechiël 18,21-28 [I 98]
Evangelie: Matteüs 5,20-26 [I 99]
Inleiding
Als Jezus mij aanziet wat zie ik dan? Dan zie ik wat Petrus zag toen Jezus hem aanzag. "Toen begon hij bitter te wenen", want wat hij zag, waren zijn zonden. Als Jezus mij aanziet, dan zie ik mijn zonden, dan zie ik wat mijn zonden Hem hebben aangedaan, dan zie ik de pijn, de kwetsuren die mijn zonden Hem hebben toegebracht en hoe Hij dat lijden heeft gedragen. De liefde, de vergevingsgezindheid, het geduld, de barmhartigheid, zie, dat ligt uitgedrukt in zijn ogen. Daarin vinden wij troost. 'Ik wil mij gaan vertroosten in Jezus' lijden groot.' Niet in het lijden, maar in de liefde waarmee Hij dat lijden heeft gedragen.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
Als uw gerechtigheid
die van de schriftgeleerden en Farizeeën niet ver overtreft,
zult gij zeker niet binnengaan in het Rijk der hemelen.
Gij hebt gehoord, dat tot onze voorouders is gezegd:
Gij zult niet doden.
Wie doodt zal strafbaar zijn voor het gerecht.
Maar Ik zeg u:
Al wie vertoornd is op zijn broeder,
zal strafbaar zijn voor het gerecht.
En wie tot zijn broeder zegt: raka,
zal strafbaar zijn voor het Sanhedrin;
en wie zegt: dwaas,
zal strafbaar zijn met het vuur van de hel.
Als gij uw gave komt brengen naar het altaar
en daar schiet u te binnen dat uw broeder iets tegen u heeft,
laat dan uw gave voor het altaar achter,
ga u eerst met uw broeder verzoenen
en kom dan terug om uw gave aan te bieden.
Haast u het eens te worden met uw tegenpartij,
zolang ge nog met hem onderweg zijt;
anders zou uw tegenpartij
u wel eens aan de rechter kunnen overleveren,
en de rechter u aan de gerechtsdienaar,
en zoudt gij in de gevangenis worden geworpen.
Voorwaar, Ik zeg u:
Ge zult daar niet uitkomen,
voordat ge tot de laatste penning hebt betaald.
Homilie
Als uw gerechtigheid die van de schriftgeleerden en Farizeeën niet ver overtreft
" En dat waren gerechtigen waar je een puntje aan kon zuigen! Die waren nu werkelijk op geen enkele onvolmaaktheid te betrappen. En hún gerechtigheid zou nog ver overtroffen moeten worden? De gerechtigheid van de Farizeeën en schriftgeleerden is de gerechtigheid van de gewone mensen. Fatsoenlijke mensen, nette mensen, brave mensen, die geen vlieg kwaad doen, die zich netjes gedragen, alle regels onderhouden. Dat is de gewone gerechtigheid zonder welke je in Israël het Rijk der hemelen niet kon binnengaan. Maar Jezus leert een overtreffende gerechtigheid, een supergerechtigheid. Wat is nu het verschil tussen de gewone gerechtigheid en de gerechtigheid die Jezus ons voorhoudt? Dat wordt duidelijk gemaakt met twee voorbeelden: de moord en de verzoening.
"Ge hebt gehoord", zegt Jezus, Hij zegt niet: 'ge hebt gelezen'. Hij sprak tot gewone mensen, van wie velen, misschien wel de meesten, niet konden lezen, en dus waren aangewezen op de mondelinge overlevering van de Wet en de Schrift en de uitleg daarvan door de schriftgeleerden. Wat hadden ze nu gehoord? "Tot onze voorouders - dat wil zeggen: tot de generatie waaraan Mozes de Wet gaf - is gezegd: Gij zult niet doden. Wie doodt zal strafbaar zijn voor het gerecht." Wie een moord begaan had, moest aan de plaatselijke rechtbank worden uitgeleverd. Die rechtbanken had je overal in Israël. Maar de inwendige haat, de onverzoenlijkheid, slechte gedachten en gevoelens, waar de moord uit voortkomt, die tot moord kunnen leiden, daarvoor hoef je niet naar de rechtbank. Ze zouden je zien aankomen! De nieuwe gerechtigheid, de overtreffende gerechtigheid is dus: "al wie vertoornd is op zijn broeder en dat op een of andere manier, innerlijk of uiterlijk, uit in scheldwoorden als: idioot, dwaas, gek, halvegare, zal strafbaar zijn voor het gerecht. En wie tot zijn broeder zegt: raka, zal strafbaar zijn voor het Sanhedrin; en wie zegt: dwaas, zal strafbaar zijn met het vuur van de hel."
Het gaat hier dus maar om één zonde: wie vertoornd is op zijn broeder, wie kwaad is op zijn naaste, wie scheldt op zijn volksgenoten, zijn naasten, medegelovigen. En wat betekent dat trapsgewijze opklimmen van de straf? Eerst de plaatselijke rechtbank, dan het Sanhedrin, en tenslotte de hel. Dat betekent niet dat op verschillende scheldwoorden een verschillende straf komt, de ene keer een straf van de menselijke rechtbank, de andere keer een straf van de goddelijke rechtbank. Trouwens welke plaatselijke rechtbank zou zo'n aanklacht ooit in behandeling nemen? Nee, Jezus leert ons niet: pas op de moord, maar Jezus leert ons: pas al op het scheldwoord! Ook daarop staat de doodstraf en wel het vuur van de hel, de laatste straf. Jezus staat als rechter helemaal achter de innerlijke reinheid van hart.
We hebben soms moeite om stof te vinden voor de biecht en dat komt eigenlijk omdat wij ons fixeren op de gewone gerechtigheid. Waar ben ik op een fout betrapt? Waar kan ik mezelf betrappen op iets dat verkeerd is gegaan in het uiterlijke? Maar als je naar binnen kijkt, zou het daar werkelijk zo netjes zijn?
Een ander voorbeeld: iemand heeft een ander schade berokkend. Hij is onredelijk geweest, heeft hem onheus behandeld, is tegen hem uitgevallen, heeft hem in het openbaar vernederd, gekwetst, of hoe dan ook, en de ander voelt zich gekwetst en is boos. Hij heeft nare gevoelens jegens degene die hem zo onredelijk heeft behandeld, hij heeft echt iets tegen degene die hem dat heeft aangedaan.
Nu gaat degene die die ander zo heeft benadeeld, zo'n onterechte behandeling heeft doen ondergaan, naar de tempel. Hij gaat naar het gebed en naar het altaar, de plaats waar de zonden vergeven worden, waar de relatie tussen God en de mens wordt hersteld. Maar die bedorven verhouding met zijn broeder die door zijn onterechte behandeling gekwetst werd, laat hij voor wat hij is, hij denkt er niet meer aan. Nee, zegt Jezus, je kunt niet met het gebed om verzoening voor God verschijnen als je je niet eerst hebt verzoend met je broeder, die je verkeerd hebt behandeld, als je hem niet eerst om vergeving hebt gevraagd.
Wij kunnen niet met God verzoend worden, een goede relatie hebben met de Heer, als we ons niet met onze naaste verzoenen. En hier is geen sprake van 'voor wat, hoort wat', maar van de geestelijke bloedsomloop die verstoord is geraakt door ons onverzoend zijn met onze medemensen. Onverzoende mensen, dat is niet naar Gods bedoeling. Het Sacrament dat wij hier ontvangen, dat ons met God verbindt en verzoent, is bedoeld als hart en ziel van een verzoende samenleving. Jezus' tegenwoordigheid is niet alleen bedoeld om Hem hier te ontvangen, daar een goed gevoel bij te hebben, en dan weer met ons eigen leven verder te gaan. Nee, we krijgen Hem hier als hart en ziel voor heel ons leven en heel ons samenleven.