Eerste lezing: Deuteronomium 26,16-19 [I 100]
Evangelie: Matteüs 5,43-48 [I 101]
Inleiding
'Stort in mijn hart een nieuwe geest', de geest van kindschap, de geest van kinderlijke liefde. Want dat is onze zonde, dat wij van onze oorspronkelijke geest zijn afgevallen, dat wij van kinderen zijn geworden tot slaven, tot slaven van een andere god, andere machten, de zelfzucht. Het woord 'zucht' zegt al iets van verslaafd zijn, verslaafd aan jezelf. Daar kunnen wij niet van afkomen, tenzij Hij het ons geeft. 'Stort in ons een nieuwe geest.'
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
Gij hebt gehoord dat er gezegd is:
Gij zult uw naaste beminnen en uw vijand haten.
Maar Ik zeg u:
Bemint uw vijanden en bidt voor wie u vervolgen,
opdat gij kinderen moogt worden van uw Vader in de hemel,
die immers de zon laat opgaan over slechten en goeden
en het laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.
Want als gij bemint die u beminnen,
wat voor recht op loon hebt gij dan?
Doen de tollenaars niet hetzelfde?
En als gij alleen uw broeders groet,
wat voor buitengewoons doet gij dan?
Doen de heidenen dat ook niet?
Weest dus volmaakt,
zoals uw Vader in de hemel volmaakt is.
Homilie
Dit zegt de Heer: Heden gebiedt de Heer, uw God, u deze voorschriften en bepalingen te volbrengen. Gij moet ze stipt ten uitvoer brengen, met heel uw hart en heel uw ziel." Dat is een merkwaardige wetgever! Dat hij vraagt voorschriften en bepalingen te volbrengen, oké, stipt ten uitvoer te brengen, zoiets kan een koning van zijn loyale onderdanen vragen, maar ten uitvoer brengen met heel uw hart, met heel uw ziel? Wat heeft de wetgever nu te maken met mijn hart, met mijn ziel, met mijn innerlijk? Als je de wet maar volbrengt, als je de regel maar onderhoudt, als je je plicht maar doet. Maar geboden en bepalingen graag volbrengen, met je hart, van harte, zelfs met héél je hart
Als een land goederen uitvoert naar een ander land, kan de regering van dat andere land invoerrechten vragen. Maar welke regering zal er invoerrechten vragen over de gedachten, over de gevoelens van degenen die over de grens komen? Gedachten, gevoelens, motieven, zijn tolvrij, heet het dan. Ja, zo is het in het rijk van de mensen, in het rijk van deze wereld, maar in het Rijk van God heersen er andere verhoudingen. Daar zijn de verhoudingen persoonlijk, niet zakelijk. Daar zijn de verhoudingen geïnspireerd door de liefde, zoals in een gezin. Onze God is een gezinsgod, is een verbondsgod. Door het verbond dat Hij met ons sluit, worden we van zijn familie, kinderen van de Vader. Dat hoorde u zo-even voorlezen in het evangelie: "opdat gij kinderen moogt worden van uw Vader in de hemel."
We zijn van zijn bloed, we zijn van koninklijke bloede. Het verbond tussen God en de mensen, tussen God en zijn volk, het Oude Verbond en het Nieuwe Verbond, is gemodelleerd op de verhoudingen binnen de familie. En als de ene familie, de ene clan, een verbond sluit met een andere familie, met een andere clan, of het ene volk met het andere, dan gaat dat op dezelfde manier. Er komt een soort bloedverwantschap tot stand, dezelfde verwantschap die er is tussen de leden van die ene clan, van die ene familie, komt er nu ook tussen de leden van de ene en de andere familie. De rechten en de plichten van de ene familie worden, door het verbond, ook de rechten en plichten van die andere familie. De vrienden van de een worden de vrienden van de ander, en de vijanden van de een worden ook de vijanden van de ander. Er ontstaat door dat verbond een soort bloedverwantschap, waardoor de deelgenoten van dat verbond zoveel worden als broeders van hetzelfde vlees. Wat Adam zei van zijn vrouw Eva: "Eindelijk been van mijn gebeente, vlees van mijn vlees" (Gn 2,23). Daarom wordt zo'n verbond tussen twee volkeren, twee clans, ook altijd met bloed gesloten. Er moet bloed aan te pas komen. En zo ging het nu ook met het verbond tussen God en de mensen.
Allereerst het Sinaïverbond. Er moest bloed aan te pas komen. "Dit is het bloed van het verbond, dat de Heer op grond van deze woorden met u sluit." De bloedritus bij het Sinaïverbond betekent dat God met dit volk, onderweg naar het Beloofde Land, hetzelfde doet als wat tot dan toe de mensen onder elkaar deden, de familiehoofden, de stamhoofden.
God, de Heer, de Schepper van hemel en aarde, treedt in dat verbond in een geheimvolle bloedverwantschap met zijn volk Israël, zodat Hij voortaan bij hen hoort, en dat volk Israël bij Hem hoort. "Hij zal uw God zijn en u zult zijn volk zijn. Een volk dat de Heer, uw God, is toegewijd."
Als Jezus dan, bij het Nieuwe Verbond, bij het overhandigen van de kelk aan de leerlingen zegt: "Deze beker is het nieuwe verbond in mijn Bloed" (Lc 22,20), worden de woorden van het Sinaïverbond op een heel nieuwe, ongekende en ongehoord realistische wijze opnieuw waar. Dan worden de partners van het Nieuwe Verbond, dan worden wij, verbonden met deze lichamelijke Mens, Jezus, door zijn Bloed en door Hem met zijn goddelijk geheim, de eigen Zoon van God. Hij, kind van God, wij, door zijn Bloed, kinderen van God. Het bloedverwantschapsritueel, waardoor God Vader wordt van ons, mensen, met dezelfde innigheid als de leden van één familie, van een gezin met elkaar verbonden zijn. Daardoor krijgen wij deel aan dezelfde Geest, de heilige Geest, de liefdesband tussen de Vader en de Zoon. En als kinderen van de Vader krijgen wij ook deel aan de verhouding die de Vader met anderen heeft. Zijn vrienden worden ook onze vrienden, zijn vijanden worden ook onze vijanden.
Heeft de Vader dan vijanden? Er zijn mensen die zich van God de Vader afkeren, die zijn vijand zijn, maar de Vader keert Zich niet van hen af. Hij wordt nooit de vijand van de mensen, ook niet van de mensen die Hem vijandig gezind zijn, die zich van Hem afkeren. Zijn liefde is groter dan onze haat. Daarom wil Hij ook niet dat wij vijanden hebben, wij hebben immers dezelfde Geest, de Geest van de Vader. Er mogen mensen zijn die onze vijand zijn, er mogen mensen zijn die zich van ons afkeren, maar vanuit de Geest van onze Vader keren wij ons niet van hen af.
Het mag bij ons niet meer zijn zoals het was in het Oude Verbond: "Gij zult uw naaste beminnen - uw volksgenoten betekent dat eigenlijk - en uw vijand haten. Want de Vader in de hemel, onze Vader, met wie wij door een geest van kindschap verbonden zijn als leden van één familie, onze Vader in de hemel laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen, Hij laat zijn zon opgaan over slechten en goeden."
Door onze gemeenschap met Jezus worden wij weggetrokken uit de menselijke verbondenheden, de menselijke wijze van denken, de menselijke wijze van reageren. De menselijke verhouding is: beminnen van wie men liefde terugkrijgt, je broeders groeten en de anderen links laten liggen. Bij de mensen moet de liefde van twee kanten komen, 'voor wat, hoort wat', 'geven en nemen'. Maar bij God, in onze God-menselijke familie, komt de liefde altijd van één kant. Van zíjn kant. Niet geven en nemen, maar geven, veel geven, alles geven: "Dit is mijn Lichaam, dat voor u gegeven wordt" (Lc 20,19).
En dan dat tweede. "Dit is de beker van mijn Bloed, dat voor u vergoten wordt, tot vergeving van de zonden" (Mt 26,28). Daar heb je die vijanden. Dus niet geven en nemen, maar vergeven, het kwaad van de ander dragen. Zoals Jezus het kwaad dat Hem wordt aangedaan, draagt. Wij moeten het niet nadragen, niet vasthouden, niet willen vergelden, maar loslaten, laten gaan. 'Laat maar.' Royaal vergeven. Royaal, dat is koninklijk. Iemand die royaal optreedt, koninklijk optreedt, kan niet alleen geven, maar kan ook koninklijk vergeven. Dat gebeurt van binnenuit. Niet omdat het moet, maar omdat je, als kind van de Vader, niet anders kunt.