Eerste lezing: Ester 4,1-3.5.12-14 [I 96]
Evangelie: Matteüs 7,7-12 [I 97]
Inleiding
'Dat wij Uw goedheid mogen ervaren.' Gods goedheid. Daar gaat het om. De mensen in onze maatschappij zijn zo verwend met allerlei dingen. Het gaat erom leuke dingen te doen, veel goederen te hebben, onze maatschappij heet er zelfs naar: consumptiemaatschappij. Dingen genieten, dingen krijgen, maar het grootste goed dat men elkaar kan geven, zijn niet de dingen, dat is een vorm van verwennen. Om je van de liefde af te maken geef je dingen, maar het grootste goed dat je elkaar kunt geven, is jezelf, je eigen goedheid, je liefde. Dat is wat we in de omgang met God in de eucharistie graag willen: opnieuw zijn goedheid, zijn liefde ervaren. Als we daar voor openstaan, zullen we die ook zeker krijgen.
Belijden wij dan eerst onze schuld, dat wij zo zaakgericht, bezig zijn, zo op de dingen gericht en zo weinig op elkaar en op God.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
Vraagt en u zal gegeven worden;
zoekt en ge zult vinden;
klopt en er zal worden opengedaan.
Want al wie vraagt verkrijgt;
wie zoekt, vindt
en voor wie klopt, doet men open.
Of is er wel iemand onder u die zijn zoon
een steen zal geven als hij om brood vraagt?
Of een slang wanneer hij vraagt om een vis?
Als gij dus, ofschoon gij slecht zijt,
goede gaven weet te geven aan uw kinderen,
hoeveel te meer zal dan uw Vader die in de hemel is,
het goede geven aan wie Hem daarom vragen.
Alles wat gij wilt dat de mensen voor u doen,
doet dat ook voor hen.
Dat is Wet en profeten.
Homilie
Vraagt, zoekt, klopt. Dat is wat wij moeten doen. Dan komt wat God zal doen. Er zal gegeven worden, je zult vinden en er zal worden opengedaan. De nadruk ligt dus op de vervulling van de wensen, van de wensen van het menselijk hart, maar de nadruk ligt evenzeer op de voorwaarden waaraan deze vervulling is gebonden. Niet het verlangen op zichzelf is voldoende. Er staat niet: 'verlangt en u zal gegeven worden.' Er staat niet: 'als u uw bewustzijn maar flink oefent en masseert in de richting van wat u verlangt, dan zal het u gegeven worden.' Er staat ook niet: 'geloof in jezelf, vertrouw op jezelf. Dan zullen de gebraden eenden van het geluk je zomaar in de mond vliegen.'
Nee, je moet uit jezelf weg, je moet juist niet vertrouwen op jezelf. Je moet zoeken, je moet uit je huisje, en je moet kloppen aan een deur waar iemand woont. En die deur kan worden opengedaan door iemand die zijn hart voor je opent. Dus je moet bij iemand aankloppen. Nood leert bidden, zeggen ze. De nood leert je los te komen uit je ik-middelpuntigheid, je te bevrijden van je gefixeerd zijn op jezelf, op je eigen zaken. U hebt dat de afgelopen weken ook als communiteit kunnen ervaren (toen een griepepidemie het klooster trof en de meeste zusters het bed moesten houden). Toen het hele kloosterleven en alle structuren en gewone kanalen van het geordende leven in elkaar vielen, alle zaakgerichte bezigheden moesten worden gestaakt, kwam er een meer persoonsgerichte aandacht voor elkaar: we zijn er voor God. We zijn er voor elkaar. We zijn er om elkaar te helpen. Je werd gedwongen om aan te kloppen, om hulp te vragen en je afhankelijk op te stellen, om zo meer te leven vanuit het vertrouwen. Daardoor komen de diepere levensstromen van het echte leven naar boven, het leven van het hart, vertrouwen, geduld, zich willen geven, de liefde. Lichamelijk maakt de communiteit het niet best, maar geestelijk bloeit zij op. Wat Paulus ooit eens gezegd heeft: "Het gaat ons naar de uiterlijke mens soms niet goed, maar naar de innerlijke mens komen wij tot bloei" (vgl. 2 Kor 4,16).
Zo is het ook in de omgang met God. In de nood komen onze beste eigenschappen naar boven. En in de nood leren wij de beste eigenschappen van onze God kennen. Een persoonlijke God, niet alleen de Schepper, niet alleen de Gever van alle goed, nee, Hij geeft Zichzelf. 'Dat wij Uw goedheid mogen ervaren.'
In de nood komt je diepste nood naar boven, je nood aan God, het bewustzijn dat je van Hem afhankelijk bent en vooral het bewustzijn dat Hij van zíjn kant zijn hart voor je opent, dat Hij met je meeleeft. "Vóórdat u vraagt weet uw Vader al wat u nodig hebt" (vgl. Mt 6,8). Wij mogen weten dat onze Vader weet wat wij nodig hebben, wij mogen ons dat bewust maken. Koningin Ester, uit de eerste lezing, bevindt zich in zo'n noodsituatie. Dat is eigenlijk de situatie van het kind. Jezus houdt ons dan ook voor dat wij in het gebed moeten zijn als een kind, dat is de houding die ons past in het gebed. Koningin Ester heeft niemand anders dan God alleen. Zoals kinderen alleen hun ouders hebben. Kinderen kunnen net als koningin Ester zeggen: 'Vader, moeder, u bent de enige. Ik heb niemand anders. Als u me niet helpt, is er niemand anders.' "Kom mij te hulp, mij, die alleen staat en geen andere helper heeft dan U." 'Kom mij te hulp, want ik sta alleen. Ik heb niemand anders dan U.'
Jezus houdt ons de situatie van het kind voor als de situatie die het meeste gemeen heeft met die van het gebed. De situatie van het kind is eigenlijk een gecontinueerde noodsituatie. Het kind valt van de ene nood in de ander. Is de ene nood gelenigd, dan is de volgende er alweer. Het is een bestendigde noodtoestand, een voortdurende toestand van gebrek, van gebrek waarin het kind zelf niet kan voorzien. Maar gelukkig is er een instantie, een instantie van voortdurende hulpverlening: vader en moeder.
Koningin Ester, gemalin van een heidense koning, moest een smeekbede richten tot haar gemaal om de vernietiging van haar volk af te wenden, dat geplaagd werd door een wrede regeringsfunctionaris. Maar, binnentreden bij de koning zonder daartoe door de koning zelf geroepen te zijn, dat kon de dood betekenen, zelfs voor de gemalin, zelfs voor koningin Ester. Maar als koningin Ester het niet zou doen, hem niet zou overhalen om in te grijpen, dan zou haar volk ten onder gaan. Een verschrikkelijk dilemma! Haar dood of de dood van het hele volk. Dat is haar noodsituatie. Dat is de situatie van de biddende mens, nergens meer zijn en dan weten, voelen, vertrouwen, dat God dat weet. Dan ontstaat er een eenheid, een vereniging van de afhankelijke en de Redder.
Dat is de situatie die wij in iedere eucharistie vieren. Jezus wordt hier aanwezig gesteld, niet alleen de persoon van Jezus, maar de persoon van Jezus juist in die situatie van het kind, van koningin Ester. Proberen wij ons dan met zijn situatie gelijk te maken door bij de offerande brood en wijn, ons leven, ons lichaam, ons welzijn, alles wat we van deze dag verwachten, aan God uit handen te geven, dat wij helemaal niets meer hebben, een totale noodsituatie, om zo in vereniging met Hem, met zijn welwillendheid, zijn liefde te ontvangen. Pas als je het eerste doet, krijg je ook het tweede.