Sint Petrus' Stoel
(eigen lezingen)
Eerste lezing: 1 Petrus 5,1-4
Evangelie: Matteüs 16,13-19
Inleiding
Vandaag vieren we het feest van sint Petrus' Stoel. Met die stoel wordt zijn leerstoel bedoeld, maar ook een gewone stoel. Dat was een stoel die werd neergezet bij het graf van een overledene. Elk jaar kwamen de familieleden bij dat graf samen en dan werd die stoel daar neergezet, als teken van de tegenwoordigheid van die overledene. Ook u (de zusters van Priorij Nazareth) doet zoiets. Wanneer een medezuster is overleden, wordt haar stoel zes weken lang opengehouden, als teken van haar tegenwoordigheid, als teken dat zij er is.
Maar met sint Petrus' stoel wordt op de eerste plaats een leerstoel bedoeld, hetgeen wil zeggen dat Petrus de juiste leer heeft beleden, zoals we vandaag in het evangelie zullen horen: "Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God. Dat is de leer, maar ook de zekerheid die de Kerk niet meer zal worden ontnomen: De poorten der hel zullen haar niet overweldigen."
Petrus is niet alleen het middelpunt van de Jezusbeweging met de goede leer, hij is ook het middelpunt van de liefdesbond waarin die leer in liefde wordt beleden. Dat houdt in dat niet alleen het verstand, maar ook het hart achter deze belijdenis staat. Mogen ook wij ons geloof van binnenuit, met ons hart, belijden en vieren in de eucharistie.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
Toen Jezus in de streek van Caesarea van Filippus gekomen was,
stelde Hij zijn leerlingen deze vraag:
Wie is, volgens de opvatting van de mensen, de Mensenzoon?
Zij antwoordden:
Sommigen zeggen Johannes de Doper, anderen Elia,
weer anderen Jeremia of een van de profeten.
Maar gij, sprak Hij tot hen, wie zegt gij dat Ik ben?
Simon Petrus antwoordde:
Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.
Jezus hernam:
Zalig zijt gij Simon, zoon van Jona,
want niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard,
maar mijn Vader die in de hemel is.
Op mijn beurt zeg Ik u:
Gij zijt Petrus en op deze steenrots zal Ik mijn kerk bouwen
en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen.
Ik zal u de sleutels geven van het Rijk der hemelen
en wat gij zult binden op aarde, zal ook in de hemel gebonden zijn
en wat gij zult ontbinden op aarde, zal ook in de hemel ontbonden zijn.
Homilie
Wie is, volgens de opvatting van de mensen, de Mensenzoon?
Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?" Blijkbaar verwacht Jezus van de leerlingen een ander antwoord dan van de mensen. Hij verwacht van de leerlingen, van de eigen kring, van de Kerk, een ander antwoord dan van de mensen buiten de Kerk, buiten de eigen kring. Mensen van de Kerk zijn anders, hebben een ander zicht, een andere wijze van denken, een andere wijze van aanvoelen, en dat op de eerste plaats over wie Jezus is.
Als antwoord op de vraag van Jezus, komen de leerlingen niet verder dan het noemen van mensen. Het zijn wel de namen van de groten die ze noemen, ja, zelfs de allergrootste onder de mensen, Johannes de Doper, wordt genoemd, van wie Jezus zelf zegt: "Onder wie uit vrouwen geboren zijn, is niemand opgestaan die groter is dan Johannes de Doper" (Mt 11,11; vgl. Lc 7,28). Ook die andere grote profeet uit het Oude Testament, Elia, wordt genoemd, de grootste profeet, en Jeremia of een van de andere profeten. Elia mag als vertegenwoordiger van de profeten, als de profeet bij uitstek, dan ook samen met Mozes, die de Wet vertegenwoordigt, boven op de berg een onderhoud hebben met Jezus. Maar hoe groot ze als mens ook zijn, het blijven mensen.
Jezus verwacht van ons, van de Kerk, namens wie Petrus het woord mag voeren, iets wat boven het menszijn uitgaat en niet zomaar een beetje er bovenuit, maar wat daar vér bovenuitgaat, wat daar torenhoog, hemelhoog, bovenuitgaat: "Gij zijt de Christus. Dat ís eigenlijk al alles: dé Christus, dé door Gods Geest geïnspireerde, bezielde Mens, gezalfd door Gods Geest, en daar wordt dan nog aan toegevoegd: de Zoon van de levende God", de Zoon, in wie God hier levend voor ons staat, van wie wij het leven onder ons leven voelen. De Christus, de Zoon van de levende God, gaat ver uit boven wat de mensen zeggen. Het is een soortverschil. Met die grote mensennamen blijf je toch altijd nog in de categorie van mensen, maar zover als de hemel zich verheft boven de aarde, zo verheft God Zich boven de mensen, boven wat de mensen zeggen wie Jezus is. Jezus, de Christus!
Hoe komt het dat de leerlingen van Jezus zo'n beter zicht hebben op Jezus, op de goddelijke geheimen van de Kerk, van de menselijke geschiedenis, van het menszijn? Zijn zij betere mensen, zijn zij toegerust met een bijzondere intuïtie, een religieus aanvoelen, zijn het meer spirituele mensen? Nee, dat is het niet, ze waren precies hetzelfde als alle andere mensen. Mensen van de Kerk zijn niet anders of beter dan de mensen erbuiten. Als ze ergens beter in zouden kunnen zijn, dan is het misschien, dat zij beter weten dat ze níet beter zijn! Het ligt ook enigszins voor de hand dat mensen binnen de Kerk beseffen dat ze niet beter zijn dan anderen, want zij weten dat zij leven van de barmhartigheid van God. Daarvan hebben ze kennis, een smakende kennis, mogen krijgen. Daarom kunnen ze beter zien wie ze zijn: zondige mensen; want waarom zou God barmhartig zijn als er niet iets was dat om barmhartigheid vraagt?
Er komt barmhartigheid aan te pas als er iets van miserie is, iets van 'bar en boos'. In het licht van Jezus' goddelijke barmhartigheid zien wij onze zonden pas goed. Gebeurt dat niet, dan ga je doen wat Adam en Eva deden, je gaat je verbergen, je gaat het kwaad verdringen, elkaar de schuld geven. Adam geeft Eva de schuld, en Eva geeft de slang de schuld. Mensen kunnen in hun geweten voor God de schuld niet doorstaan, ze moeten dat wel verdringen. Maar God heeft Zich in Jezus geopenbaard als Degene die barmhartig is, als Degene die de schuld van de mensen vergeeft, als wij onze schuld maar toegeven, dat wij, mensen van de Kerk, niet beter zijn dan de mensen erbuiten.
Waarom verwacht Jezus dan toch een beter, een ander antwoord van de leerlingen dan van de andere mensen? Dat verwacht Hij niet omdat de leerlingen beter zijn, of omdat wij beter zouden zijn, maar omdat Hij beter is. Jezus is beter, Jezus is goed. Hij geeft ons de gelegenheid zo intens met Hem om te gaan in het gebed, in de sacramenten, in de Kerk, dat wij zijn geest overnemen, dat zijn geest onze geest wordt, de heilige Geest. "Ik zal hun een nieuw hart geven en een nieuwe geest in hun binnenste uitstorten (Ez 11,19). Leert van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart" (Mt 11,29). De gevoelens van zíjn Hart gaan over in het hart van de leerlingen, in óns hart. En van daaruit krijgen de leerlingen van Jezus ook een andere kijk op heel de wereld, op heel de menselijke geschiedenis, op de menselijke normen en waarden, op ziekte en gezondheid, op armoede en rijkdom, eer en oneer, een kort of een lang leven, kortom: een andere kijk op het leven zelf. In het licht van Jezus ga je dat alles met heel andere ogen zien, tegenovergesteld, omgekeerd.
"Wat winst voor mij was, zegt sint Paulus, dat ben ik om Christus gaan beschouwen als verlies" (Ef 3,7). Er vindt een devaluatie plaats, een ontwaarding van de schatten van deze wereld, als je Jezus als dé schat in de akker van deze wereld hebt ontdekt, de schat van de Kerk, de schat die wij in de eucharistie mogen vieren, en waardoor alles anders wordt, ook de menselijke betrekkingen, de verstandhouding onder elkaar. We worden opgenomen in de liefdesband die er is tussen de Vader en de Zoon. Dat wordt dan ook onze onderlinge liefdesband.