Heilige Sabbas, abt
Eerste lezing: Jesaja 25,6-10a [I 5]
Evangelie Mt.15,29-37 [I 6]
Inleiding
'In deze woeste wereld leven we in de tijd', zegt het lied dat we zojuist gezongen hebben. Maar midden in de tijd is de vervulling van Godswege gekomen. De Advent, de tijd die na deze tijd, na de wereldgeschiedenis, voorbij de grenspalen van de geschiedenis, zal aanbreken. Hij richt nu al een maaltijd aan, zoals we in het evangelie zullen horen en meemaken, en zoals we nu in deze eucharistie zullen meemaken. De maaltijd die aan het einde der tijde door de profeet Jesaja is voorzien, is nu al onder ons.
Belijden wij dan eerst onze schuld, ons verlangen naar ander voedsel, naar menselijke bevrediging, om deze heilige Geheimen, waarin God ons gaat voeden met zijn onsterfelijke medicijn, goed te kunnen vieren.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd trok Jezus langs het meer van Galilea.
Hij ging de berg op en zette zich daar neer.
Talrijke mensen stroomden naar Hem toe,
die lammen, gebrekkigen, blinden, stommen
en vele anderen met zich mee voerden
om ze aan zijn voeten neer te leggen.
Hij genas hen, tot verbazing van het volk
dat zag hoe stommen spraken
en gebrekkigen gezond werden,
lammen liepen en blinden konden zien.
En zij verheerlijkten de God van Israël.
Jezus riep zijn leerlingen bij zich en sprak:
Ik heb medelijden met al deze mensen,
omdat ze al drie dagen lang bij Mij blijven,
zodat ze nu zonder voedsel zijn;
maar Ik wil hen niet laten gaan
zonder dat zij eerst gegeten hebben,
omdat Ik vrees dat zij anders onderweg zullen bezwijken.
De leerlingen merkten echter op:
Waar halen wij op een zo eenzame plaats
genoeg brood vandaan om al dat volk te verzadigen?
Jezus vroeg hun:
Hoeveel broden hebt ge dan?
Zeven, antwoordden zij, en wat visjes.
Nadat Hij het volk gelast had op de grond te gaan zitten
nam Hij de zeven broden en de vissen
welke Hij na het spreken van het dankgebed brak
en ze aan de leerlingen gaf,
die ze weer aan het volk gaven.
Allen aten tot ze verzadigd waren
en aan overgebleven brokken
haalde men nog zeven volle manden op.
Homilie
In die dagen zal de Heer der hemelse machten voor alle volken op deze berg een gastmaal aanrichten." Dat zegt ons vandaag in de eerste lezing de profeet van de Advent, de profeet Jesaja. Hij is de profeet van de ballingschap, toen Israël geen eigen leven meer had: geen eigen land, - het land van God, inzet van de belofte - geen tempel, geen koningschap, alles kwijt waarin het volk zijn eigen identiteit beleefde en vierde: de sabbatviering, kosjer eten, de feesten, de gewoontes, de kleding, het was allemaal weg, zoiets wat wij in onze dagen beleven. De katholieken hebben zich het een na het ander van hun eigen 'Roomse cultuur' uit handen laten nemen of uit handen gegeven, heel die eigenheid, die nestgeur van het geloofsleven, die gewoonten, gebaren, vieringen, die taal, waarin de vertrouwelijkheid van God met ons tot uitdrukking kwam en waarin wij zijn nabijheid steeds opnieuw tot leven lieten komen, het is allemaal weg. We stellen dan ook smachtend vast: Wat waren we rijk met onze geestelijke rijkdommen! En wat zijn we nu arm met al onze materiële rijkdommen!
Als vanzelf roept dat bij de mensen een verlangen op naar vroeger, naar restauratie van wat eens was, nostalgie, een heimwee naar het verleden. De Israëlieten beleefden dat natuurlijk ook zo tijdens hun ballingschap: verlangen naar het verleden, zoals het vroeger was in 'ons land Israël'. Maar de profeet kijkt niet achterom naar het verleden, hij kijkt vooruit naar de toekomst, niet naar de toekomst van morgen of van overmorgen, naar een menselijke toekomst, maar naar een toekomst voorbij aan alle menselijke toekomst, voorbij de grenspalen van de geschiedenis, een toekomst van Godswege. "In die dagen, dat zijn niet de dagen van de menselijke geschiedenis, maar dat is de dag van de Heer, zal de Heer der hemelse machten voor alle volkeren, dus niet alleen voor het volk van God, het eigen volk, een gastmaal aanrichten." En dat wordt ook nog eens uitgedrukt met de rekwisieten van de maaltijden van deze wereld: "een gastmaal van vette spijzen, een gastmaal van belegen wijnen: vette spijzen met merg bereid, belegen wijnen zuiver als kristal. Het zijn beelden, niet de werkelijkheid zelf, maar beelden om het onverbeeldbare uit te drukken van de toekomst van Godswege: Op deze berg zal Hij de sluier verscheuren die ligt over alle volkeren en de doek die uitgespreid ligt over alle naties
de Heer zal voor immer de dood vernietigen, de tranen van alle gezichten afwissen."
Toekomstmuziek! Gouden bergen! Maar wat Jesaja, de profeet van de Advent, in de toekomst zag voorbij alle grenzen van de menselijke geschiedenis, dat wordt binnen de geschiedenis al vervuld door Jezus. Als een verschijning van God "kwam Jezus langs het meer van Galilea." Hij is niet op een bepaalde plaats, Hij gaat voorbij, zoals Elia meemaakte dat God hem voorbijging (vgl. 1 Kon 19,1-18). "Hij ging de berg op om te doen wat de profeet in de toekomst van Godswege zag gebeuren: Talrijke mensen stroomden naar Hem toe, die lammen, gebrekkigen, blinden, stommen en vele anderen met zich meevoerden om ze aan zijn voeten neer te leggen, om te doen wat de profeet in de toekomst van Godswege had gezien: de dood vernietigen, de tranen van alle gezichten afwissen, en de schande van zijn volk wegnemen.
Hij genas hen, tot verbazing van het volk dat zag hoe stommen spraken en gebrekkigen gezond werden, lammen liepen en blinden konden zien."
Maar dat was nog niet het eigenlijke. Dat zijn nog maar beelden, beelden van mensen die door een of andere vorm van sterfelijkheid werden getroffen en die door Gods hand, door Gods Woord, door Jezus worden genezen, tot nieuw leven worden gebracht. Allemaal als beeld van de eigenlijke redding, wat tot uitdrukking wordt gebracht in de woorden: "En zij verheerlijkten de God van Israël.
Op die dag zal men zeggen: Dat is onze God op wie wij hoopten, Hij heeft ons gered; dit is de Heer op wie wij ons vertrouwen hadden gesteld: laat ons jubelen en ons verheugen in de redding die Hij ons bracht."
Dat is de vreugde van de Advent. Dat is een vreugde niet om de zegeningen van politieke bevrijding, rijkdom en genezing, maar om de wegen van onze God, die de werkelijkheid van zijn nieuwe leven, van zijn nieuwe Rijk onder ons tegenwoordig gaat brengen in zijn eigen Zoon.