Donderdag in de eerste week
        van de Advent
Heilige Johannes van Damascus, priester en kerkleraar


Eerste lezing: Jesaja 26,1-6 [I 7]
Evangelie Matteüs 7,21.24-27 [I 8]


Inleiding  

'Knielen wij neer voor Hem die ons gemaakt heeft, want Hij is de Heer, onze God.' Hij is van ons en wij zijn van Hem. Mensen die van elkaar zijn, ondervinden ook van elkaar het meeste leed. De meeste pijn ondervind je van de mensen die het dichtste bij je staan, voor wie je je hart hebt opengesteld, van wier liefde je leeft, in wier intimiteit je geborgen bent. Dat moet God ondervinden van ons en wij proberen Hem nu daarin tegemoet te komen, van die pijn weet te hebben en goed te maken. Dat kunnen we natuurlijk niet. God troosten, dat kunnen wij niet. Maar zijn Zoon kan dat wel, eerherstel brengen. Wij verenigen ons in deze viering van eerherstel bijzonder met het eerherstel dat Jezus brengt aan zijn Vader, die Hem het meeste nabij was.
Belijden wij dan eerst onze schuld, ons gebrek aan toewijding, onze onachtzaamheid, ons gebrek aan fijngevoeligheid, om deze heilige geheimen goed te kunnen vieren.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Niet ieder die tot Mij zegt: Heer, Heer!
zal binnengaan in het Koninkrijk der hemelen,
maar hij die de wil doet van mijn Vader die in de hemel is.
Ieder nu die deze woorden van Mij hoort en ernaar handelt,
kan men vergelijken met een verstandig man
die zijn huis op rotsgrond bouwde.
De regen viel neer,
de bergstromen kwamen omlaag,
de storm stak op
en zij stortten zich op dat huis,
maar het viel niet in,
want het stond gegrondvest op de rots.
Maar ieder die deze woorden van Mij hoort,
doch er niet naar handelt,
kan men vergelijken met een dwaas
die zijn huis bouwde op het zand.
De regen viel neer,
de bergstromen kwamen omlaag,
de storm stak op
en zij beukten dat huis,
zodat het volledig verwoest werd.”

Homilie  

“Niet ieder die tot Mij zegt Heer, Heer, zal binnengaan in het Koninkrijk der hemelen, maar hij die de wil doet van mijn Vader die in de hemel is."
De wil van God, waar ligt die? Als God iets wil dan zal het wel iets geweldigs zijn, iets moeilijks, iets verhevens. Dat denk je misschien. Gods zal wel iets wonderbaarlijks willen, of iets uitzonderlijks, iets extravagants. Daar komen ongelovigen dan ook mee aan. Ze zeggen dan wel niet: 'Heer, Heer', maar wel: 'hebben wij in uw Naam geen wonderen gedaan, geen bijzondere en bizarre prestaties geleverd?'

Dat begon al in het paradijs. Niet gewoon gehoorzamen, het leven aannemen uit Gods hand, zoals het komt, maar aan God gelijk willen zijn, iets bijzonders willen zijn door de kennis van goed en kwaad. De wijsheid, die in de slang wordt voorgesteld, is ook altijd eigenwijsheid, iets bijzonders, iets geheimzinnigs, iets voor de happy few. Of, Babel, met een toren die tot in de hemel reikt, God naar de kroon steekt. De wil van God zal wel hoog liggen. Zoiets als de Nederlanders van onze dagen, onafhankelijk, met sporthelden als godenzonen.

'Als u een leerling hebt,' zegt de monnik, 'die naar de hemel wil streven, vat hem bij de voeten en haal hem omlaag, met beide benen op de grond, want wat God wil is het gewone mensenbestaan.' Wij willen een 'goddelijke' mens zijn, een mens die boven de gewone voorwaarden van het menselijk bestaan is uitgeheven. Maar God wil een 'menselijke' God zijn. En we doen de wil van God wanneer wij ons overgeven aan het gewone menselijke bestaan en de grenzen daarvan aanvaarden. Die grenzen aannemen. Wanneer je zo je leven inricht, met zo'n instelling ten opzichte van je leven, bouw je je leven op rotsgrond. Dát is de wil van God. En dat in alles. In de houding tegenover jezelf, je goede en je slechte eigenschappen, je deugden en je gebreken. Je deugden heb je gekregen, dus niets om je op te beroemen. En je tekorten, die dienen soms nog meer om je in God te verankeren dan je deugden. Deugden maken je gemakkelijk los van God. Je tekorten aannemen, je eigen zonden en de zonden en tekorten van je medemensen. Mensen en toestanden niet willen veranderen. Nee, eerst aannemen, dan veranderen. Je kunt iets pas veranderen als je het eerst hebt aangenomen. Alleen wat eerst aanvaard is, kan verlost worden.

Dus leven volgens Gods wil betekent vrij staan tegenover je eigen wil. Met je eigen wil, wil je iets groots, iets opzienbarends. Of in het klein: nog even dat werk afmaken. Mijn werk, het werk dat mij wordt opgedragen, dat is niet mijn werk, maar het wordt mij opgedragen. Maar ik eigen het mijzelf toe. Als je je er niet van kunt losmaken, blijkt dat je het je toegeëigend hebt. Als de bel gaat, het onmiddellijk uit handen geven. 'Zij die deze instelling bezitten,' staat er in de Regel van Benedictus, 'verlaten dan ook terstond hun eigen bezigheden en doen afstand van hun eigen wil.' Die twee dingen hangen samen. Onmiddellijk leggen zij alles uit handen, laten hun werk liggen, ook als het niet af is, en geven op staande voet en metterdaad gehoorzaam gevolg aan het woord van hem die hun iets beveelt.

Dat voel je, dat gaar niet zonder strijd, een strijd tegen je eigen 'ik'. Die strijd is er altijd en die moet er ook zijn. Het is niet zo, dat het verkeerd is als je de strijd voelt, als je moeite hebt je eigen wil te overwinnen, je eigen wil los te laten. Jezus had ook een eigen wil. En ook Hij had moeite om die wil los te laten. "Laat deze kelk aan Mij voorbijgaan, maar niet mijn wil maar uw wil geschiede" (Mt 26,39; vgl. Mc 14,36; Lc 22,42). Hij ervaart een tegenstelling tussen Zichzelf en de wil van zijn Vader. Omdat het de wil van God is, staat het niet dicht bij je persoonskern, niet bij je natuur. Het gaat daar tegenin, naar iets wat nog dieper is dan je natuur, naar waar je kind van God bent.

Dat is wat hier gevierd wordt: Jezus die zijn bestaan, zijn eigen wil, zijn natuur, uit handen geeft aan zijn Vader en zo voor ons werd tot Verlosser van onze eigen wil.