Donderdag in de eerste week van de Advent
                      Heilige Franciscus Xaverius, priester

Eerste lezing: Jesaja 26,1-6
Evangelie Matteüs 7,21.24-27


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Niet ieder die tot Mij zegt: Heer, Heer!
zal binnengaan in het Koninkrijk der hemelen,
maar hij die de wil doet van mijn Vader die in de hemel is.
Ieder nu die deze woorden van Mij hoort en ernaar handelt,
kan men vergelijken
met een verstandig man
die zijn huis op rotsgrond bouwde.
De regen viel neer, de bergstromen kwamen omlaag,
de storm stak op en zij stortten zich op dat huis,
maar het viel niet in, want het stond gegrondvest op de rots.
Maar ieder die deze woorden van Mij hoort,
doch er niet naar handelt,
kan men vergelijken met een dwaas
die zijn huis bouwde op het zand.
De regen viel neer, de bergstromen kwamen omlaag,
de storm stak op en zij beukten dat huis,
zodat het volledig verwoest werd.”

Homilie  

“Niet ieder die tot Mij zegt Heer, Heer, zal binnengaan in het Koninkrijk der hemelen, maar hij die de wil doet van mijn Vader die in de hemel is."
De wil van God, waar ligt die? Als God iets wil dan zal het wel iets geweldigs zijn, iets moeilijks, iets verhevens. Dat denk je misschien: Gods wil zal wel iets wonderbaarlijks zijn, of iets uitzonderlijks, iets extravagants. Daar komen ongelovigen dan ook mee aan. Ze zeggen dan wel niet: 'Heer, Heer', maar wel: 'hebben wij in uw Naam geen wonderen gedaan, geen bijzondere en bizarre prestaties geleverd?'

Dat begon al in het paradijs. Niet gewoon gehoorzamen, het leven aannemen uit Gods hand, zoals het komt, maar aan God gelijk willen zijn, iets bijzonders willen zijn door de kennis van goed en kwaad. De wijsheid, die in de slang wordt voorgesteld, is ook altijd eigenwijsheid, iets bijzonders, iets geheimzinnigs, iets voor de happy few. Of, Babel, met een toren die tot in de hemel reikt. God naar de kroon steekt. De wil van God zal wel hoog liggen. Of Tyrus en Sidon, rijke steden. Zoiets als het Nederland van onze dagen. Onafhankelijk, als godenzonen.

'Als u een leerling hebt,' zegt de monnik, 'die naar de hemel wil streven, vat hem bij de voeten en haal hem omlaag, met beide benen op de grond, want wat God wil is het gewone mensenbestaan.' Wij willen een 'goddelijke' mens zijn, een mens die boven de gewone voorwaarden van het menselijk bestaan is uitgeheven. Maar God wil een 'menselijke' God zijn. En we doen de wil van God wanneer wij ons overgeven aan het gewone menselijke bestaan en de grenzen daarvan aanvaarden. Die grenzen aannemen. Wanneer je zo je leven inricht, met zo'n instelling ten opzichte van je leven, bouw je je leven op rotsgrond. Dát is de wil van God. En dat in alles. In de houding tegenover jezelf, je goede en je slechte eigenschappen, je deugden en je gebreken. Je deugden heb je gekregen, dus niets om je op te beroemen. En je tekorten, die dienen soms nog meer om je in God te verankeren dan je deugden. Deugden maken je gemakkelijk los van God. Je tekorten aannemen, je eigen zonden en de zonden en tekorten van je medemensen. Niet willen veranderen, ze niet als het ware in mindering brengen op het milieu waarin je leeft, zo van: dat hoort er wel en dat hoort er niet bij. Nee, eerst aannemen, dan veranderen. Je kunt iets pas veranderen als je het eerst hebt aangenomen. Verlost kan worden wat eerst is aanvaard.

Dus leven volgens Gods wil betekent vrij staan tegenover je eigen wil. Je eigen wil, wil iets groots, iets opzienbarends. Of in het klein: nog even dat werk afmaken. Mijn werk, het werk dat mij wordt opgedragen, dat is niet mijn werk, maar het wordt mij opgedragen. Maar ik eigen het mijzelf toe. Als je je er niet van kunt losmaken, blijkt dat je het je toegeëigend hebt. Als de bel gaat, het onmiddellijk uit handen geven. 'Zij die deze instelling bezitten,' staat er in de Regel, 'verlaten dan ook terstond hun eigen bezigheden en doen afstand van hun eigen wil.' Die twee dingen hangen samen. Onmiddellijk leggen zij alles uit handen, laten hun werk liggen, ook als het niet af is, en geven op staande voet en metterdaad gehoorzaam gevolg aan het woord van hem die hun iets beveelt.

Dat voel je, dat is een strijd, een strijd tegen je eigen wil. Die is er altijd en die moet er ook zijn. Het is niet zo, dat het verkeerd is als je de strijd voelt, als je moeite hebt je eigen wil te overwinnen, je eigen wil los te laten. Jezus had ook een eigen wil. En ook Hij had moeite om die wil los te laten. "Laat deze kelk aan Mij voorbijgaan, maar niet mijn wil maar uw wil geschiede" (Mt 26,39; vgl. Mc 14,36; Lc 22,42). Hij ervaart een tegenstelling tussen Zichzelf en de wil van zijn Vader. Omdat het de wil van God is, staat het niet dicht bij je persoonskern, niet bij je natuur. Het gaat daar tegenin, naar iets wat nog dieper is dan je natuur, naar waar je kind van God bent.

Dat is wat hier gevierd wordt: Jezus die zijn bestaan, zijn eigen wil, zijn natuur, uit handen geeft aan zijn Vader en zo voor ons werd tot Verlosser van onze eigen wil.