Vrijdag in de eerste week van de Advent
Heilige Johannes van Damascus, priester en kerkleraar


Eerste lezing: Jesaja 29,17-24
Evangelie Matteüs 9,27-31


Inleiding  

Bekeren, zich omkeren, zich toekeren naar God, die Zich keert tot ons en wel met zijn Hart, waaruit medelijden komt, zoals we vandaag in het evangelie horen. Hij vraagt dus toegang tot ons hart. Dat wij hier niet alleen met ons lichaam naar Hem toegekeerd staan en niet alleen met ons verstand, onze psyche, maar met wat nog dieper is, met ons ik, ons hart, ons geweten. Bekering is altijd de ommekeer van het diepste in ons.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd waren er twee blinden
die Jezus volgden en luid riepen:
“Heb medelijden met ons, Zoon van David.”
Toen Hij thuis gekomen was,
kwamen de blinden naar Hem toe.
Jezus sprak tot hen:
“Gelooft gij dat Ik de macht bezit om dit te doen?”
Zij antwoordden: “Zeker, Heer.”
Daarop raakte Hij hun ogen aan en zei:
“U geschiede naar uw geloof.”
En hun ogen gingen open.
Jezus vermaande hen op strenge toon:
“Zorgt dat niemand dit te weten komt.”
Maar eenmaal buiten
verbreidden ze zijn faam in heel die streek.

Homilie  

“De ogen der blinden zullen weer zien.” “In die tijd waren er twee blinden…"
Jezus raakte hun ogen aan en hun ogen gingen open. Blinde ogen gaan weer zien als een teken van iets dat daar ver bovenuit gaat, als een teken van Gods aanwezigheid, van zijn heil. Blinden hebben dan ook iets van God. Ze zien het licht van de wereld niet: de zon en 's nachts de sterrenpracht, de maan. Ze leven altijd in een stikdonkere nacht en dat betekent een relativering van al het menselijke, want al het menselijke leeft van het licht. En als je het licht, dat zozeer tot de menselijke wereld behoort, niet ziet, ben je dus niet van deze wereld. En als je niet van deze wereld bent, dan sta je aan de grens van de wereld en daarom heb je contact, voeling met wat aan de andere kant van de grens ligt. Zoals wanneer je je in een onherbergzaam landschap bevindt, of op een berg, de grens van de bewoonde wereld, de mensenwereld. Dat roept iets op van God. Zoals een klooster ook stijlelementen heeft, die iets hebben wat juist niet van de menselijke wereld is, die weg wijzen van de dingen die de menselijke wereld plegen aan te kleden, en daardoor iets oproepen van God. Of als je een ernstig zieke ontmoet, dan sta je meteen aan de grens van het leven.

Wij worden nu door onze moeder, de heilige Kerk, op de vrijdag in de eerste week van de Advent aan de hand van deze blinden naar God geleid, voor wie wij allemaal zijn als blinden. Want God woont, zoals ze dat zeggen, in het ontoegankelijke licht, het licht dat je niet kunt zien, waar je geen toegang toe hebt. "Niemand heeft ooit God gezien" (Joh 1,18). God kun je niet zien. Je moet eerst dood om God te kunnen zien. Je moet eerst het licht van de wereld niet zien, dat moet voor je verduisteren, dan pas kun je God zien.

Als we dan toch onze zintuigen gebruiken in de omgang met God, dan spreken we over het woord van God. Zo-even hebt u dat nog gehoord: 'Dit is het woord van God,' zegt de priester na de evangelielezing. Dat is natuurlijk ook een symbool om datgene aan te duiden wat boven dat woord uitgaat, namelijk dat God in het woord Zichzelf uitspreekt. God kun je niet horen, zoals je Hem ook niet kunt zien, maar in het woord spreekt Hij Zichzelf uit, zonder Zich te laten zien. Je hebt dus nog iets anders nodig om de betekenis van het woord te kunnen verstaan: je zintuigen, je gehoor, het licht van je verstand zijn niet voldoende. Je hebt daarvoor vertrouwen nodig. Geloof. "Geloof je, dat Ik de macht bezit om dit te doen?” Je moet er getuigenis van afleggen dat je gelooft in zijn medelijden: “Heb medelijden met ons." Die twee samen, geloof en vertrouwen, geven ons toegang tot het Hart van God. Geloof in zijn macht, dat Hij God is. Geloof in zijn goedheid, in zijn medelijden, dat Hij met zijn macht ons goddelijk nabij is en met zijn goedheid ons menselijk nabij is.

En toen de twee blinden gingen zien, wat zagen ze toen? Een verschijning van God? Nee, door de uiterlijke schijn heen moesten ze doordringen naar Gods transcendentie in het nederige, in het kleine. God heeft een dubbele transcendentie. Een transcendentie in den hoge, in het ontoegankelijke licht, waar Hij onzichtbaar is voor onze menselijke ogen. Maar Hij heeft ook een transcendentie naar binnen toe, naar de diepte, in de vernedering. Als je dus met een hoogmoedig hart, of met een zelfgenoegzame geest naar Jezus kijkt, dan zie je niets, dan zie je alleen een mens. En dat is maar een schaduw van wat Hij is, namelijk de Zoon van God. Daarom vermaande Jezus de blinden na hun genezing op strenge toon: "Zorg dat niemand het te weten komt", opdat de mensen Mij niet in de hoogte gaan steken en het licht, waarin Ik dit wonder heb gedaan, zouden afleiden van God, die woont in het ontoegankelijk licht. Opdat de aandacht niet op Mij zal rusten, als op iemand van deze wereld, waardoor ze in Mij niet degene zien die Ik ben: de Zoon van God.