Donderdag in de eerste week van de Advent
                             
Eerste lezing: Jesaja 25,1-6
Evangelie Mt. 7,21.24-27              


Inleiding  

'Venite adoremus Deum!' 'Komt, laten wij God gaan aanbidden en neervallen voor onze Heer.' Wij komen hier samen voor onze Schepper, maar we komen hier niet alleen samen als zijn schepselen, maar ook als zijn kinderen, die van Hem zijn weggelopen, die Hem ontrouw zijn geworden, zijn verloren kinderen. We hebben namelijk ook gezongen: 'Wenen wij voor Hem die ons heeft gemaakt', want wij zijn Hem ontrouw geworden; wij hebben het Verbond opgezegd en Hem de rug toegekeerd, waardoor we zijn vriendschap hebben verloren. Dat willen wij vandaag, op deze eerste donderdag van de maand in deze eucharistie van eerherstel, in het bijzonder ons bewust maken. We hebben iets te herstellen, of liever gezegd: Hij wil ons herstellen in onze oorspronkelijke waardigheid als kinderen van God.
Belijden wij dan eerst onze schuld om deze heilige Geheimen goed te kunnen vieren.
                         
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Niet ieder die tot Mij zegt: Heer, Heer!
zal binnengaan in het Koninkrijk der hemelen,
maar hij die de wil doet van mijn Vader die in de hemel is.
Ieder nu,
die deze woorden van Mij hoort en er naar handelt,
kan men vergelijken met een verstandig man
die zijn huis op rotsgrond bouwde.
De regen viel neer,
de bergstromen kwamen omlaag,
de storm stak op
en zij stortten zich op dat huis,
maar het viel niet in,
want het stond gegrondvest op de rots.
Maar ieder die deze woorden van Mij hoort.
doch er niet naar handelt,
kan men vergelijken met een dwaas
die zijn huis bouwde op het zand.
De regen viel neer,
de bergstromen kwamen omlaag,
de storm stak op
en zij beukten dat huis
zodat het volledig verwoest werd.”
           
Homilie  

Alleen “hij die de wil doet van mijn Vader die in de hemel is, zal binnengaan in het Koninkrijk der hemelen." Wie de wil doet van mijn Vader! Wat is er nu vervelender dan altijd de wil te moeten doen van een ander? Wat is er nu heerlijker dan je eigen wil te doen? Zelfs de allermoeilijkste opgave laat zich gemakkelijk vervullen, als het naar je eigen wil is, naar je eigen zin. En het allermakkelijkste wordt moeilijk, wanneer het tegen je eigen zin, tegen je eigen wil ingaat. Was dat nu juist niet het vernederende, het mensonterende, het mensonwaardige van die periode van de Egyptische slavernij, toen de onvrijheid een collectieve ervaring was geworden? De knechtende wil van farao legde zich dwingend neer op alle sectoren van het maatschappelijke én van het persoonlijke leven.

Hebben wij Nederlanders dat ook niet meegemaakt, toen in de oorlog onze gemeenschappelijke, maatschappelijke en ook persoonlijke vrijheid aan banden werd gelegd? Dat was een haast existentiële, het hele bestaan omvattende, ervaring. En wat was het niet een sensatie toen we onze vrijheid herkregen, zelf konden bepalen waar we konden gaan en staan, wat we wilden doen en laten, onze mening vrij konden uiten. Heerlijk! Los van die beknelling, niemand die je controleert, je gangen nagaat, ongehinderd jezelf ontplooien.
Als die zelfontplooiing nu ook maar de ontplooiing is van je diepste 'ik', van je met God verbonden 'ik', als je wil in overeenstemming is met de wil van je Vader in de hemel, dan is die vrijheid een voordeel, dan is ze opbouwend. Als dat niet zo is, wordt de vrijheid, zoals Paulus aan sommige Galaten verwijt, tot een "voorwendsel voor de zelfzucht" (Gal 5,13), dan is de vrijheid een afbrekende kracht, dan wordt de vrijheid in dienst gesteld van je eigen 'ik', los van God. Dan ontstaat er een nieuwe slavernij, niet ten opzichte van een macht buiten jezelf, maar ten opzichte van een macht binnen jezelf: je eigen koning 'ik'.

God heeft ons zijn goddelijke wil opgelegd, en die zo diep in het mensenhart ingeschapen, dat de mens de wil van God verstaat als zijn eigen wil, als honderd procent de wil van God en honderd procent de wil van zichzelf. Een versmelting van twee 'willen'. "Niet wat ik, maar wat Gij wilt" (Mc 14,36). Zo is het ook in de beste menselijke verhoudingen. Wat zien we daar: bruidegom en bruid geven elkaar hun ja-woord; de een zegt: ja, ik wil en de ander zegt ook: ja, ik wil. Beiden zeggen: Ik wil jou, en ik blijf trouw aan jou. De ring die ze aan elkaars vinger steken is rond, ook uw ring (van de zusters van priorij Nazareth), een gesloten ring zonder begin en zonder einde. Zoals de verhouding is tussen bruidegom en bruid, zo is de verhouding tussen Gods wil en onze wil.

Denkt u maar eens aan de Tien Geboden: "Ge zult niet doden, ge zult niet stelen, ge zult geen valse getuigenis afleggen", enz. (Ex 20,1-17). Al die woorden worden je opgelegd, het zijn woorden die als gebod worden uitgesproken, je moet eraan gehoorzamen. Maar het is toch niet iets waartoe je je moet forceren, waardoor je van je vrijheid beroofd wordt. Stel dat voor een tijdje als experiment de Tien Geboden opgeheven zouden worden, iedereen kan er zich aan houden of hij kan er zich niet aan houden, al naargelang het uitkomt. Dat zou een ramp worden, een ramp voor het menselijk leven en samenleven. Het zou een hel worden. Binnen de kortste keren zou je aan dat experiment een einde willen maken; experiment geslaagd, patiënt overleden. Die Tien Geboden zijn dus niets anders dan een uitdrukking van het geweten, van het geweten van de mensheid. Ze liggen in het hart van iedere mens besloten. Je gehoorzaamt eigenlijk in die Tien Geboden niet aan geboden buiten jezelf, maar aan geboden in jezelf, je gehoorzaamt aan je natuur.

Je kunt je afvragen: waarom worden ze ons dan opgelegd? Je zult dit en je zult dat niet. Dat is omdat de mensheid vervreemd is geraakt van zijn eigen hart. De mens is door de zonde als het ware niet alleen afgevallen van God, maar ook van zijn eigen natuur. Hij verstaat niet meer wie hij is en weet daarom ook niet meer wat goed en kwaad is, hoe je moet handelen. De mens wilde toch aan God gelijk worden door zelf uit te maken wat goed en kwaad is, door goed te noemen wat kwaad is en kwaad te noemen wat goed is. Zo is hij het spoor bijster geraakt over wat bij hem past om goed en gelukkig te leven en samen te leven.
God wil de mens weer terugbrengen naar het echte menszijn, naar het volle gelukkige menszijn en hem herstellen in zijn oorspronkelijke menselijke waardigheid. Daarbij hoort het herstellen, het inscherpen, van de grondplichten van de mens. Dat moet echter niet worden verstaan als eisen van de menselijke natuur, zoals een dier gehoorzamen moet aan zijn instinct, of als gehoorzamen aan een macht, of als iets onpersoonlijks, nee, het zijn geboden die de mens persoonlijk worden opgelegd. Gij zult niet doden. Dus niet zoals een menselijke wetgever de wetten stelt in de derde persoon: verboden toegang, of misbruik wordt gestraft. Voor wie? Door wie? Dat is iets anoniems, iets onpersoonlijks. Nee, onze Wetgever stelt de Wet voor als een woord, een persoonlijk woord voor jou: jij zult niet doden, jij zult niet stelen.

Je bent als schepsel opgenomen in een verbondsrelatie, in een persoonlijke relatie van mens tot God, waarvan de eerste uitspraak is: "Ik ben de Heer uw God, die u heeft bevrijd uit Egypte, het slavenhuis" (Ex 20,2), als teken van zijn liefde. God onze Heer heeft ons vrijgekocht uit het slavenbestaan van de zonde, en wij weten wat het Hem gekost heeft. Hij heeft Zich met heel zijn Hart verpand aan zijn volk en het daarom dan ook als eerste gebod opgelegd: "Ge zult de Heer uw God beminnen met heel uw hart, dat daar op is aangelegd, met heel uw ziel en met al uw krachten" (Dt 6,5). Dat geldt voor ons allemaal samen, als collectief, als volk, want wij zijn het volk van God, maar het is ook nog eens voor ieder van ons persoonlijk. Je wordt opgeroepen om niet zo maar het goede te doen. Er zullen mensen komen die bij het oordeel tot God zeggen: wij hebben toch goede dingen gedaan, we hebben veel wonderen gedaan in uw Naam, we hebben duivels uitgedreven, we hebben werken van barmhartigheid verricht, we hebben wonderen van techniek verricht. Maar het gaat er niet om het goede te doen, maar om het goede te doen dat Hij wil. Niet iets voor jou persoonlijks, maar iets dat past in het Verbond, iets dat daarmee in overeenstemming is. Dat elke daad, elke keuze en elke beslissing het gevolg is van een ontmoeting tussen God en de mens. Want Hij is niet alleen maar ónze God, Hij is ook míjn God.
Je bent met heel je wezen, met heel je vermogen, met alles wat je wilt, wat je denkt en wat je voelt, opgenomen in een verbondsrelatie. Hij blijft daaraan trouw en Hij verlangt natuurlijk ook dat, wil je echt gelukkig zijn, je trouw bent aan Hem.