Vrijdag in de eerste week van de Advent
       
Eerste lezing: Jesaja 29,17-24
Evangelie: Matteüs 9,27-31                    


Inleiding      

'De Heer is mijn Herder.' Dat zingen wij vandaag op het feest van de heilige herder Ambrosius. In de vierde eeuw was hij bisschop van Milaan en een herder in hart en nieren. Hij had iets van de Romeinse deskundigheid en bedrevenheid in het besturen, een vorm van herder zijn in de wereld. Als zodanig werd hij dan ook spontaan door het volk van Milaan gekozen. De bisschop was dood en ze zochten een nieuwe bisschop. Hij verscheen daar als prefect om de orde te handhaven en ineens ging het door de menigte heen: Ambrosius, bisschop? En hij was nog maar geloofsleerling! Toch werd hij tot bisschop gekozen en hij heeft 'ja' gezegd op deze democratische verkiezing. Hij is bisschop geworden, herder van zijn diocees met een invloed in de breedte en in de diepte tot op de dag van vandaag. Want de herder Ambrosius liet zichzelf ook herderen door de Heer, die wij zo-even bezongen: 'de Heer is mijn herder.' Hij heeft bij deze psalm, psalm 23, een uitleg geschreven, waarin hij zichzelf uittekent, niet als herder, maar als het schaap dat de zorg van de Herder nodig heeft.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd waren er twee blinden
die Jezus volgden en luid riepen:
“Heb medelijden met ons, Zoon van David.”
Toen Hij thuis gekomen was
kwamen de blinden naar Hem toe.
Jezus sprak tot hen:
“Gelooft gij dat Ik de macht bezit om dit te doen?”
Zij antwoordden: “Zeker, Heer.”
Daarop raakte Hij hun ogen aan en zei:
“U geschiede naar uw geloof.”
En hun ogen gingen open.
Jezus vermaande hen op strenge toon:
“Zorgt dat niemand dit te weten komt.”
Maar eenmaal buiten
verbreidden zij zijn faam in heel die streek.
               
Homilie  

“Op die dag zullen de ogen der blinden weer zien.",
In het evangelie hebben we gehoord, hoe bij de twee blinden de vervulling daarvan tot uitvoer werd gebracht. "Hun ogen gingen open." In die blinden kunnen wij onszelf zien. Zijn wij niet als blinden? Zalig die niet zien - die blind zijn - en toch geloven (vgl. Joh 20,29). Gelovigen zijn eigenlijk de blinden van de andere wereld. 'Blindelings geloven', zeggen we toch. Je ziet niets, maar je ziet er iets in. Je ziet iets in wat niemand kan zien, want niemand heeft God ooit gezien. "Geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord, geen mens kan zich voorstellen, al wat God bereid heeft voor die Hem liefhebben" (1 Kor 2,9 naar Js 64,3). Wat nooit in een mensenhart is opgekomen, dat heeft God weggelegd voor hen die Hem beminnen. Dat heeft Jezus geopenbaard, nee, sterker nog: Jezus zelf ís de openbaring. Jezus is het licht, Hij is het licht van de andere wereld. Dat soort licht en dat soort zien heeft het karakter van een donker licht. Dat wil zeggen: het is een licht waarvoor je geloof nodig hebt. "Gelooft gij dat Ik de macht bezit om dat te doen?” … “Zeker Heer”, dat geloven wij. En toen zei Jezus: “U geschiede naar uw geloof."

Het eerste wat Jezus doet, is hen van het licht, dat zij al hebben in de ogen van hun hart, bewust laten worden. Geloof je? Je hebt toch een beroep gedaan op mijn medelijden? "Heb medelijden met ons, Zoon van David.” … “Gelooft ge dan ook echt dat Ik de macht bezit om dit te doen?" Je hebt een beroep gedaan op mijn medelijden, het is nu dat je een beroep doet op mijn macht, op mijn goddelijke macht.
De 'Onzienlijke' zien, dát is geloven. Dat is wat wij hier doen. We kunnen rustig de ogen sluiten en zelfs onze oren dichtdoen, want niet-zien en niet-horen is nodig om de andere werkelijkheid te kunnen zien en horen, om in het Woord van God dat u hoort, God zelf aan het woord te horen en in uw hart te kunnen beluisteren. Het licht dringt door uw zintuigen naar uw hart, zoals ook zijn stem doorklinkt in uw hart.