Zaterdag in de eerste week van de Advent


Eerste lezing: Jesaja 30,19-21.23-26
Evangelie: Matteüs 9,35-10,1.5-8


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd ging Jezus rond door alle steden en dorpen,
waar Hij onderricht gaf in hun synagogen
en de Blijde Boodschap verkondigde van het Koninkrijk
en alle ziekten en kwalen genas.
Bij het zien van die menigte mensen
werd Hij door medelijden bewogen,
omdat ze afgetobd neerlagen
als schapen zonder herder.
Toen sprak Hij tot zijn leerlingen:
“De oogst is wel groot,
maar arbeiders zijn er weinig.
Vraagt daarom de Heer van de oogst
arbeiders te sturen om te oogsten.”
Hij riep zijn twaalf leerlingen bij Zich
en gaf hun de macht om de onreine geesten uit te drijven
en alle ziekten en kwalen te genezen.
Deze twaalf zond Jezus uit met de opdracht:
“Begeeft u niet onder de heidenen
en gaat niet binnen in een stad van de Samaritanen;
gij moet veeleer gaan
naar de verloren schapen van het huis van Israël.
Verkondigt op uw tocht:
Het Koninkrijk der hemelen is nabij.
Geneest zieken, wekt doden op,
reinigt melaatsen en drijft duivels uit.
Voor niets hebt gij ontvangen, voor niets moet gij geven.”


Homilie

“Volk van Sion dat in Jeruzalem woont, gij zult niet langer wenen.”
Bij het oordeel zal God een volk aantreffen dat weent en weeklaagt. Maar “de Heer zal u genadig zijn, zodra Hij uw geweeklaag hoort, op de dag dat de Heer de wonden van zijn volk verbindt en Hij de striemen geneest die Hij geslagen heeft.” Dat is de kijk van God op zijn volk bij het oordeel. Zo ziet God ons en zo ziet ook Jezus ons. “Bij het zien van die menigte mensen werd Hij door medelijden bewogen, omdat ze afgetobd neerlagen als schapen zonder herder.”
Het hele volk wordt hier door Jezus afgeschilderd als een kudde schapen zonder herder. “Gij moet veeleer gaan naar de verloren schapen van het huis van Israël." Dus niet in alleen het huis van Israël vinden we verloren schapen, maar héél het volk wordt afgeschilderd als een troep verloren schapen zonder herder.

Het Rijk Gods lijkt wel op een wachtkamer ten tijde van een spreekuur bij de dokter. Allemaal mensen met kwaaltjes, ernstige kwalen, ziekten, of erger nog zoals na een bombardement of een terreuraanslag. Overal gewonden, doden, huilende, kermende mensen, bloed, tranen, wanhoop. En de rol van de dokter bij zo'n verschrikkelijk gebeuren is niet de daders opsporen en straffen, maar de gewonden verbinden, de verdrietigen troosten, de zwakken op de been helpen. Werken van barmhartigheid verrichten als tekenhandeling die verwijst naar het eigenlijke: wij zijn ziek van zonden en wij kunnen onszelf niet helpen, we kunnen onszelf niet op de been helpen.

Tegenover God, onze Geneesheer, is het goed onze plaats voor ogen te houden, te zien wie wij werkelijk zijn: zwakke mensen. Tegenover Hem mogen wij onze zwakheid bewust zijn. Bij alles wat je wilt gaan ondernemen, moet je net zo lang in je wezen de krachten aftasten tot je bij je zwakheid komt. Bij het besef dat je het niet kunt. Het is goed voeling te houden met je zwakheid, steeds weer je zwakheid te dragen en daarin niet versagen, want je zwakheid is de plek waar Hij je wil ontmoeten. Zwakheid is de plek van ontmoeting met onze Herder. "Niet de gezonden hebben een dokter nodig, maar de zieken" (Mt 9,12; vgl. Mc 2,17; Lc 5,31). En als die ontmoeting met God eenmaal heeft plaatsgevonden in het gebed, in de viering, de ontmoetingsplaatsen met God, dan zullen wij ook barmhartig worden voor elkaar. Aan onze ontmoeting met een genadige God ontspringt in het gebed de drang om genadig te zijn voor elkaar. Die anderen hebben precies dezelfde kwaal als wij, zij zijn ook zwak en hebben dus ook kracht nodig van een ander, barmhartigheid, tegemoetkomendheid, hulp.

In het gebed gaat Gods genade voor ons over in ons genadig zijn voor elkaar. In het gebed maakt God onze medemenselijke verhoudingen. Dat God dat nu opnieuw in deze viering in ons moge doen, laten wij daarom samen een ogenblik bidden.