Donderdag in de eerste week
     van het even jaar
                                Heilige Antonius, abt


Eerste lezing: 1 Samuël 4,1-11 [III 7]
Evangelie: Marcus 1,40-45 [III 8]


Inleiding  

'Saturavit', gevoed, verzadigd. Hij heeft dat ooit een keer gedaan, maar waarom moeten wij dat nu steeds bezingen? Omdat dat voor ons een manier is ons bewust te maken van wat Hij nog steeds doet en zal blijven doen. Van wat Hij straks gaat doen. Zo is het ook ontstaan. Die herinneringen uit het grijze verleden van Israël werden in psalmen en vieringen herdacht, herlezen, met als inzet: zo doet en is onze God. Wat Hij deed, doet Hij nu en zal Hij blijven doen. God is een verleden, heden en toekomst overspannend gebeuren. Dat is onze geschiedenis, niet wat geschied is, maar wat geschied is en steeds opnieuw geschiedt. Belijden wij dan eerst onze zonden, dat wij zo in onze eigen menselijke geschiedenis opgaan en zo weinig ons door God laten doen.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

Er kwam eens een melaatse bij Jezus
die op zijn knieën viel
en Hem smeekte:
“Als Gij wilt, kunt Gij mij reinigen.”
Door medelijden bewogen stak Hij de hand uit,
raakte hem aan en sprak tot hem:
“Ik wil, word rein.”
Terstond verdween de melaatsheid en was hij gereinigd.
Terwijl Hij hem wegstuurde, vermaande Hij hem met klem:
“Zorg ervoor dat ge aan niemand iets zegt,
maar ga u laten zien aan de priester
en offer voor uw reiniging wat Mozes heeft voorgeschreven
om ze het bewijs te leveren.”
Eenmaal vertrokken,
begon de man zijn verhaal overal in het openbaar te vertellen
en ruchtbaarheid aan de zaak te geven,
met het gevolg, dat Jezus niet meer
openlijk in de stad kon komen,
maar buiten op eenzame plaatsen verbleef.
Toch kwamen de mensen van alle kanten naar Hem toe.

Homilie    
 

Ze hebben verloren van de Filistijnen. Toen zeiden ze: weet je wat: "Wij gaan de Ark van het Verbond van de Heer uit Silo weghalen. Zij moet in ons midden komen om ons uit de handen van onze vijanden te verlossen.” Dan zul je eens wat zien! Als we die Ark eenmaal hier in ons midden hebben, dan zal God voor ons strijden. En “toen de Ark van het Verbond van de Heer in het kamp aankwam, hieven de Israëlieten zo'n machtig gejuich aan dat de grond ervan dreunde. De Filistijnen werden bang. “Ze zeiden: God is in het kamp gekomen." En toen verloren de Israëlieten voor de tweede keer. Met God erbij, God die hen uit de macht van de Egyptenaren had bevrijd, God die de Egyptenaren ramp na ramp had overgezonden, die God laat hen nu in de steek.

Het is niet zo dat je de kracht van God gewoon maar kunt optellen bij je eigen kracht. Wij hebben zoveel duizend man en wij hebben God er nog bij. We hebben onze eigen natuurlijke vermogens en dan God er nog bij, een soort specialist, een superarts, of een superdeugdzame kracht, waardoor je het gevoel van zwakheid niet meer hebt. Nee, de wijze waarop God ons tot kracht is, wordt ons in het evangelie voorgedaan: "Er kwam eens een melaatse bij Jezus die op zijn knieën viel en Hem smeekte: als Gij wilt, kunt Gij mij reinigen." De melaatse is niets, hij is nergens, hij is ten einde raad, van top tot teen één en al wond, een toekomst van verderf en ondergang. Uitgestoten. Dat is de mens. Maar er is één gave plek in zijn ziel: het geloof dat God met zijn kracht hem daarvan kan redden. En zo is het nog. De zwakheid blijven we voelen. Dat is eigen aan de menselijke bestaansconditie. Jezus doet wonderen, maar Hij wil het gewone menselijke bestaan, Hij wil niet dat het verhaal van zijn genezingen in het openbaar verteld wordt. Als er ruchtbaarheid aan de zaak wordt gegeven, kan Hij niet meer openlijk in de stad komen. Hij wil niet als een wonderdokter, als een hogere medicijnman met bijzondere vermogens onder het volk bekend staan, omdat ze dan op een wijze met God omgaan die niet des mensen is. Dan spannen ze Jezus voor hun karretje. Wij moeten God niet voor ons karretje spannen, maar wij moeten achter God aan, bij Hem zijn, zodat zijn kracht bij Hem blijft en onze zwakheid bij ons blijft. Die twee samen.

Zoals het in iedere eucharistie ook gebeurt: wij komen met brood en wijn. Dat blijft. Die gestalte blijft, maar de goddelijke kracht over dat brood en die wijn, over die gestalte,  wordt over ons vaardig en wordt in ons opgenomen bij de heilige communie, terwijl wij in onze zwakheid blijven. Die twee samen: Gods kracht en menselijke zwakheid. "Wanneer ik zwak ben”, menselijk zwak, “dan ben ik sterk", door Gods kracht (2 Kor 12,10).