Eerste lezing: 1 Samuël 8,4-7.10-22a [III 9]
Evangelie: Marcus 2,1-12 [III 10]
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
Toen Jezus in Kafarnaüm was teruggekeerd
en men hoorde dat Hij thuis was,
stroomden de mensen in zulk een aantal samen,
dat zelfs de ruimte vóór de deur geen plaats meer bood
toen Hij hun zijn leer verkondigde.
Men kwam een lamme bij Hem brengen
die door vier mannen gedragen werd.
Omdat zij wegens de menigte geen mogelijkheid zagen
hem dicht bij Jezus te brengen,
legden ze het dak bloot boven de plaats waar Hij Zich bevond,
maakten er een opening in
en lieten het bed waarop de lamme uitgestrekt lag zakken.
Toen Jezus hun geloof zag, zei Hij tot de lamme:
Mijn zoon, uw zonden zijn u vergeven.
Er zaten enkele schriftgeleerden bij.
Ze zeiden bij zichzelf:
Wat zegt die man daar? Hij spreekt godslasterlijk.
Wie anders kan er zonden vergeven dan God alleen?
Uit Zichzelf wist Jezus aanstonds dat zij zo redeneerden
en Hij zei hun:
Wat redeneert gij toch bij uzelf?
Wat is gemakkelijker, tot de lamme te zeggen:
Uw zonden zijn u vergeven, of:
Sta op, neem uw bed en loop?
Welnu, opdat ge zult weten
dat de Mensenzoon macht heeft op aarde zonden te vergeven,
sprak Hij tot de lamme:
Ik zeg u, sta op, neem uw bed mee en ga naar huis.
Hij stond op, nam zijn bed
en voor aller ogen ging hij onmiddellijk naar buiten.
Iedereen stond er versteld van,
en ze verheerlijkten God en zeiden:
Zoiets hebben wij nog nooit gezien.
Homilie
Toen stroomden de mensen in zulk een aantal samen, dat zelfs de ruimte vóór de deur geen plaats meer bood, toen Hij hun zijn leer verkondigde." Jezus verkondigt zijn leer. De menigte luistert. Zo is het tot op de dag van vandaag: de sprekende Kerk en de luisterende Kerk. In het gebed ben ik de luisterende Kerk. Het voorbeeld van de opdringende menigte kan mij opwekken één en al oor te zijn voor Hem die hét Woord is.
"Men kwam een lamme bij Hem brengen ..." Ook wij mogen ons onze verlammingen bewust maken en die eerlijk voor de voeten van Jezus uitstallen: saai, monotoon werk, verveling, machteloosheid, geestelijke windstilte. Zonde leidt altijd tot stagnatie van de levensstroom, soms verborgen of verdrongen onder kouwe drukte, stof opjagen, zich uitsloven.
"... omdat zij wegens de menigte geen mogelijkheid zagen hem dicht bij Jezus te brengen, legden ze het dak bloot boven de plaats waar Hij zich bevond, maakten er een opening in en lieten het bed waarop de lamme uitgestrekt lag, zakken." Zij laten zich door geen enkele weerstand uit het veld te slaan. Niet door de deur? Geen nood. Dan door het dak! Zij laten zich niet de wet voorschrijven door de feiten, maar door hun geloof. Het geloof kan de feiten veranderen. Elk gebed bevat impliciet de wens: 'Almachtige, help dat tweemaal twee nu eens niet vier is' (Toergenjew). Want dat God almachtig is, betekent immers dat Hij uit elke situatie nog iets kan maken! Ook wij mogen hetzelfde doen, onze lamlendigheid voor Jezus' voeten leggen.
"Toen Jezus hun geloof zag ..." Hun geloof, niet zijn geloof. Mijn geloof kan dus iets betekenen voor een ander. Wie hebben mij met ons geloof naar Jezus gedragen? Wie draag ik met mijn geloof naar Jezus? Of aan wie zou ik zulk een liefdedienst kunnen bewijzen, beter dan andere soorten van dienstbetoon? "Toen Jezus hun geloof zag, zei Hij tot de lamme: Mijn zoon, uw zonden zijn u vergeven." Jezus pakt het kwaad aan bij de wortel. Wij zien een verlamd lichaam, allerlei uiterlijke verlammingsverschijnselen, in de samenleving, in de Kerk, in de gezinnen. Wij doen veelal aan symptoombestrijding. Dat helpt niet echt. Want wij zijn aangetast tot in de kern van ons wezen, tot in onze verhouding met God. Al onze pogingen tot verbetering zijn aangetast door dat euvel. Maar Jezus dringt met zijn blik, met zijn diagnose, door tot in die zieke kern. Niet om te veroordelen, maar om te genezen. Jezus dringt erin door met zijn genezende kracht, met zijn scheppende macht: "Uw zonden zijn u vergeven."
"Er zaten enkele schriftgeleerden bij en dezen zeiden bij zichzelf: Wat zegt die man daar? Hij spreekt godslasterlijk: Wie anders kan er zonden vergeven dan God alleen?" Zonden vergeven is ook bovenmenselijk. En toch is die macht gegeven aan "de Mensenzoon op aarde", aan de Kerk en aan alle volgelingen van Jezus. Omdat wij die macht bezitten, wordt aan ons ook de eis gesteld anderen te vergeven: "Vergeef ons onze schuld zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven. Toen kwam Petrus naar Jezus toe en sprak: Heer, als mijn broeder tegen mij misdoet, hoe dikwijls moet ik hem dan vergeven? Tot zevenmaal toe? Jezus antwoordde hem: Neen, zeg Ik u, niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventigmaal zevenmaal" (Mt 18,21-22). Al is het kwaad dat mensen mij aandoen nog zo groot, de macht om het kwaad te vergeven, is altijd groter. Ik zou die macht eens kunnen uitproberen op de een of andere rancune of gekwetstheid die het kwaad in mijn hart heeft achtergelaten. "Wat is gemakkelijker, tot de lamme zeggen: Uw zonden zijn u vergeven, of (te zeggen): Sta op, neem uw bed en loop?" Het is gemakkelijker om te zeggen: uw zonden zijn u vergeven. Dat is immers niet te controleren en in die zin gemakkelijk om te beweren. Maar de aanwezigen kunnen wel onmiddellijk constateren of Jezus' woord van opwekking effect heeft of niet. Jezus toont met de lichamelijke genezing van de lamme, dat Hij inderdaad van God de macht kreeg om de ziel te genezen.
In de eerste lezing uit het boek Samuël maken we de overgang mee van het tijdperk van de rechters naar het tijdperk van de koningen. De rechters waren charismatische figuren, door God opgewekt om in tijden van nood het volk, een stammenbond in los federatief verband, te beschermen tegen de vijanden. Het voordeel van zo'n stammenbond was dat er geen staand leger nodig was, geen bureaucratisch apparaat, geen geldverslindende hofhouding, pracht en praal, geen ambtenarij.
En dan gebeurt er bijvoorbeeld zoiets als wij een aantal jaren geleden hebben meegemaakt. Het water van de rivieren stijgt boven verwachting. Deskundigen hebben uitgerekend dat het gevaar voor een overstroming eenmaal in de tweehonderd jaar, of eenmaal in de vijfhonderd jaar, voorkomt, en misschien ook dan nog niet. En op grond van deze voorspellingen worden er maatregelen genomen. Er zijn dijken, er zijn dijkwachten, er is een hele instituut om de aanvallen van de vijand, het water, te weerstaan, om rampen te voorkomen. Maar je moet wel een heel apparaat in stand houden, ook als er niets aan de hand is.
Anders dan in een gedeelte van Nederland hebben wij hier in Limburg geen dijken, geen apparaat om ons tegen het wassende water te beschermen. En wat gebeurt er dan als er toch een overstroming komt? Er wordt in allerijl iets geïmproviseerd. Dat geeft het voordeel dat er niet jarenlang overbodige kosten hoeven te worden gemaakt. En de plotselinge nood wekt bij de mensen gevoelens van solidariteit op. Natuurlijk gaan ze dan in zo'n tijd wel om maatregelen roepen, om zoiets als een staand leger, een apparaat, dijken, extra voorzieningen. Dat kost dan wel extra belastinggeld, maar, zo zegt men: 'de kost gaat voor de baat uit'. En dat is nu het geval met een koning, zegt Samuël. Een koning is vooral een statussymbool. Ook wij willen zo'n statussymbool, zeggen de Israëlieten, net als "alle andere volkeren. Kijken we liever naar de macht van ónze koning Jezus! Welnu, opdat ge zult weten, dat de Mensenzoon macht heeft op aarde zonden te vergeven
Ik zeg u, sta op, neem uw bed mee en ga naar huis." Macht, niet om de vijand te vernietigen, maar om te vergeven, om amnestie te verlenen. Dat is ook iets koninklijks, iets royaals. "En zij verheerlijkten God," het is iets goddelijks, iets van onze God, de God van de Joden: eindeloos geduldige liefde.