Zaterdag in de eerste week
     van het even jaar
                              Maria op zaterdag


Eerste lezing: 1 Samuël 9,1-4.17-19; 10,1a [III 11]
Evangelie: Marcus 2,1-12 [III 12]


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

Eens ging Jezus naar de oever van het meer.
Al het volk kwam naar Hem toe en Hij onderrichtte hen.
In het voorbijgaan zag Hij Levi,
de zoon van Alfeüs, aan het tolhuis zitten
en sprak tot hem: “Volg Mij.”
De man stond op en volgde Hem.
Terwijl Jezus eens in de woning van Levi te gast was,
lag met Hem en zijn leerlingen ook een groot
aantal tollenaars en zondaars aan,
want er waren velen die Hem volgden.
De farizeese schriftgeleerden zagen
dat Hij at met zondaars en tollenaars,
en zij zeiden tot zijn leerlingen:
“Hoe kan Hij eten en drinken met tollenaars en zondaars?”
Jezus hoorde dit en antwoordde hun:
“Niet de gezonden hebben een dokter nodig maar de zieken.
Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen,
maar om zondaars te roepen.”

Homilie
 

Vandaag twee roepingen. Van Saul en van Levi, de tollenaar. Wat ze gemeenschappelijk hebben? Beiden hebben ze de roeping niet verdiend. Bijbelse roepingen zijn modellen. Zij geven een voorstelling van waar God voorkeur voor heeft. Saul had nog iets: zijn vader Kis was "een vermogend man”. En zelf was Saul “flink van lijf en leden, geen Israëliet kon met hem vergeleken worden: met kop en schouders stak hij boven allen uit." Lichamelijke kracht stond in die tijd bijna gelijk met geestelijke kracht.

Maar wat was er voor bijzonders aan Levi? Ook een vermogend man, maar hij had zich verrijkt met belastinggelden, hij had zich verrijkt ten koste van anderen. Dat isoleerde hem van de mensen en sloot hem op in een gesloten eigen circuit met collega's. Hij was zo onwaardig in de ogen van zijn medemensen, dat iedereen zich boven hem verheven voelde. Trouwens, alleen al de omgang met hem maakte iemand onrein, cultisch onrein. Zoals de omgang met een heiden een Jood onrein maakte. Men moest zich na het contact met zo iemand eerst ritueel reinigen. Zo staat er geschreven van de hogepriesters: "Zelf gingen zij het pretorium niet binnen, want ze moesten het paasmaal kunnen eten en mochten zich daarom niet verontreinigen" (Joh 18,28). Iemand, zo onwaardig dat je al helemaal niet met hem kunt eten, laat staan hem opnemen in de kring van je volgelingen: "Kom, volg Mij."

Staat Jezus dan zo onverschillig tegenover de zonden? Vindt Hij zonde dan niet erg meer? Heeft Jezus Zich aangesloten bij de permissievelingen, die alles maar goedvinden en goedpraten? Nee, voor Hem is de zonde een gruwel, het grootste kwaad, uitlopend op de volstrekte verwerping. Jezus is een man van vuur in zijn strijd tegen de zonde: hij preekt hel en verdoemenis tegen de zondaars en tegen allen die aanleiding geven tot zonde. "Dreigt uw hand u aanstoot te geven, hak ze af … Geeft uw voet u aanstoot, hak hem af … Geeft uw oog u aanstoot, ruk het uit …" (vgl. Mc 9,43-47) De zonde is voor Hem het grootste kwaad, maar de barmhartigheid jegens de persoon van de zondaar is Hem nog meer waard: "Ik wil liever barmhartigheid dan offers. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars" (Mt 9, 13). Eerst is het Liever zondaars ... en tenslotte alleen maar zondaars. En de rechtvaardigen dan? Mensen die zo erg met de gerechtigheid bezig zijn en misschien ook wel goed leven, zijn dikwijls zo weinig barmhartig. Kijk maar naar de schriftgeleerden: "Hoe kan Hij eten en drinken met tollenaars en zondaars?" De tollenaars moeten maar in hun zonden blijven. De schriftgeleerden maken een duidelijke scheiding tussen goeden en kwaden. Maar Jezus stapt over deze grens heen om bij de zondaars te zijn. En zo is Hij bij ons, zondaars, gekomen en zegt Hij tegen wie Hem de dood aandoen: "Heer, vergeef het hun" (Lc 23,34).