Donderdag in de eerste week
      van het even jaar
Eerste lezing: 1 Samuël 4,1-11
Evangelie: Marcus 1,40-45


Inleiding      

Dood rijmt op brood. Maar dood rijmt ook op een leven ten dode. Jezus' leven door de dood heen. Hij geeft ons leven vanuit de dood. Het is een ten dode gedoemd leven waaruit Hij het leven tevoorschijn brengt. De dodelijke lanssteek van onze zonden drong door in zijn Hart en richtte er een verwoesting aan, en er kwam uit: de levensstroom der sacramenten: eucharistie en doopsel, waarvan wij nu leven. Dat voedsel dat ons leven geeft in dodelijke omstandigheden, waarbij wij het leven zouden willen laten, het leven verliezen, de moed verliezen, moedeloos worden. Dit leven van Jezus uit de dood geeft ons nieuw leven, doet ons herleven.


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

Er kwam eens een melaatse bij Jezus
die op zijn knieën viel
en Hem smeekte:
“Als Gij wilt, kunt Gij mij reinigen.”
Door medelijden bewogen stak Hij de hand uit,
raakte hem aan en sprak tot hem:
“Ik wil, word rein.”
Terstond verdween de melaatsheid en was hij gereinigd.
Terwijl Hij hem wegstuurde, vermaande Hij hem met klem:
“Zorg ervoor dat ge aan niemand iets zegt,
maar ga u laten zien aan de priester
en offer voor uw reiniging wat Mozes heeft voorgeschreven
om ze het bewijs te leveren.”
Eenmaal vertrokken,
begon de man zijn verhaal overal in het openbaar te vertellen
en ruchtbaarheid aan de zaak te geven,
met het gevolg, dat Jezus niet meer openlijk in de stad kon komen,
maar buiten op eenzame plaatsen verbleef.
Toch kwamen de mensen van alle kanten naar Hem toe.

Homilie      

“Toen de Ark van het Verbond van de Heer aankwam, hieven de Israëlieten zo'n machtig gejuich aan dat de grond ervan dreunde."
Stel u voor dat het Allerheiligste, de Ark van het Verbond van onze dagen, hier in uw midden zou worden ontvangen met zo'n machtig gejuich dat heel Tegelen ervan zou dreunen, dan voel je: dat is niet van de goede geest. Onheilspellend klonk dat voor de Filistijnen. Toen zij vernamen dat de Ark van de Heer in het kamp was aangekomen, werden ze bang. "Ze zeiden: God is in het kamp gekomen." De vechtlust van de Hebreeën, de Israëlieten, vermengde zich met hun vroomheid en als de menselijke krachtgevoelens zich gaan vermengen met religieuze gevoelens, religieuze gevoelens van goddelijke uitverkiezing en bovenmenselijke bescherming: ons kan toch niets gebeuren, God is met ons, dan ontstaat er wat wij fanatisme noemen, iets blinds, blind fanatisme. Een fanatisme dat niemand ontziet, de kleinen, de zwakken niet, maar dat ook de eigen kleinheid, de eigen zwakheid niet ziet, verdringt.

Maar wil God dan niet dat wij door Hem boven onze menselijke zwakheid worden uitgetild? "Onze hulp is in de naam van de Heer" (Ps 124,8). Dat hebben ze altijd gezegd als een soort strijdkreet. Hij is onze burcht, onze vesting, onze staf, onze stok, onze steun. "De Heer is mijn Herder" (Ps 23,2). Is God dan niet een kracht die onze menselijke zwakheid aanvult? Jawel, maar niet als een losse, toegevoegde kracht, geen verdieping boven op de menselijke natuur, boven iets, nee, Hij is een kracht binnen onze zwakheid. Zoals sint Paulus zegt: "Wij dragen deze schat (van goddelijke kracht) in aarden potten, in broze vaten, zodat duidelijk blijkt dat die overgrote kracht van God komt en niet van ons" (2 Kor 4,7). Zijn kracht niet in de plaats van onze zwakheid, maar zijn kracht dóórdringend in onze zwakheid, niet als een los gevoel, maar helemaal vlees en bloed wordend van ons. Gods Geest is inderdaad een kracht, de kracht van de Allerhoogste, maar het is een zachte kracht. Dat wil niet zeggen een mindere kracht, maar een kracht die doordringt zoals olie in de huid, zoals rust en verkwikking in het vermoeide lichaam, zoals reiniging in de melaatse binnendringt.

Gods Geest werkt zoals Jezus werkt op die melaatse. Hij geneest die melaatse, niet op afstand, maar door hem aan te raken. Niet als een losse kracht, maar als een kracht die binnendringt in het lichaam dat Hij aanraakt. "Hij stak de hand uit en raakte hem aan." Zo komen die twee met elkaar in aanraking, het zieke lichaam van de melaatse, het zieke lichaam van de zondige mensheid en Gods kracht. Het is een beeld ook van het doopsel, en van de reinigende kracht van Jezus' Lichaam.

Zo komt de onreinheid van de melaatse ook in aanraking met Jezus' reinheid. Onze zonden komen in aanraking met zijn heiligheid en zo gaat Jezus delen in onze zonden, in die zin dat Hij deelt in de Godverlatenheid van de zonde. En Hij neemt dat gedeelte van de zonde aan. Hij neemt het op, die Godverlatenheid, niet zo dat Hij het niet voelt, maar zo dat Hij het juist wel voelt, zo dat Hij heel de verwoestende kracht van de zonde in zijn lichaam, in zijn hart opneemt, zoals de lanssteek zijn hart doorboorde, heel diep. En vanuit die dood komt er dan een tegenbeweging op gang door de kracht van barmhartige liefde, van leven. "Ik wil", zegt Hij tegen die melaatse. Dus die hand, die zachte aanraking, genezend, wordt gestuurd door een barmhartige wil. "Ik wil liever barmhartigheid dan offers" (Mt 9,13). Als Jezus zegt dat Hij iets wil, zit er altijd iets van goedheid in. Ik wil aan de laatstgekomenen, de werkers van het elfde uur, evenveel geven als aan de werkers van het eerste uur. Ik wil liever genade dan recht. Ik wil liever goedheid dan rechtvaardigheid. Die wil is geen harde, koude wil. Het is een zachte wil, het is meer iets van welwillendheid, erbarmen, medeleven, medelijden.

Van die wil heeft Hij een wilsbeschikking nagelaten, een testament, zoals we straks ook weer zullen horen: Dit is mijn Bloed van het nieuwe testament, van de nieuwe wilsbeschikking, tot vergeving van de zonde. Tot reiniging van onze melaatsheid, van onze zonden. Dat aan je laten doen, zoals die melaatse het aan zich heeft laten doen, met hetzelfde geloof. "Als Gij wilt, Heer, kunt Gij mij reinigen." Om dan zo, op een andere manier, welwillend, genezend, zacht de melaatsen in eigen omgeving aan te raken, ermee om te gaan. Wij, gereinigden, mogen de reinigende kracht van zijn barmhartige wil doen overgaan op anderen.