Eerste lezing: 1 Samuël 9,1-4.17-19; 10,1a
Evangelie: Marcus 2,13-17
Inleiding
God zaait zijn Woord als zaad in de akker van onze harten. Het is het geheim van ons geloof dat het Woord van God ook vrucht kan zetten, de vrucht van God zelf, Godsvrucht. Wij hebben een voorbeeld van iemand die dat volmaakt heeft begrepen en uitgevoerd: Abraham, in het eerste Verbond; hij wordt in de eerste lezing dan ook genoemd: "vader van vele volken." En wat Abraham in het eerste Verbond was, is Maria in het tweede Verbond, het definitieve Verbond van Gods liefde. Zij geloofde volmaakt in Gods liefde. De woorden die zij moest horen, waren woorden van liefde, maar in een harde verpakking; ze waren meer afwijzend dan innemend. Maar daarin heeft zij toch haar geloof tot volle wasdom, tot volheid, laten groeien.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
Eens ging Jezus naar de oever van het meer.
Al het volk kwam naar Hem toe en Hij onderrichtte hen.
In het voorbijgaan zag Hij Levi,
de zoon van Alfeüs, aan het tolhuis zitten
en sprak tot hem: Volg Mij.
De man stond op en volgde Hem.
Terwijl Jezus eens in de woning van Levi te gast was,
lag met Hem en zijn leerlingen ook een groot
aantal tollenaars en zondaars aan,
want er waren velen die Hem volgden.
De farizeese schriftgeleerden zagen
dat Hij at met zondaars en tollenaars,
en zij zeiden tot zijn leerlingen:
'Hoe kan Hij eten en drinken met tollenaars en zondaars?
Jezus hoorde dit en antwoordde hun:
Niet de gezonden hebben een dokter nodig maar de zieken.
Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen,
maar om zondaars te roepen.
Homilie
Het uiterlijk schijnt er toe te doen. "Die man had een jonge zoon, Saul geheten, flink van lijf en leden; met kop en schouders stak hij boven allen uit." Toen Saul eenmaal koning was en hij zich temidden van zijn volk bevond, kon iedereen hem zien, zo groot was hij. Zijn vader was bovendien nog vermogend en hij daarom ook. Het uiterlijk doet er toe, want als Saul verworpen wordt en Samuël voor hem een opvolger gevonden heeft, David, dan wordt diezelfde Samuël op een andere wijze door het uiterlijk van die jonge David getroffen. "De jongen, zo staat er, was rossig, had mooie ogen en een prettig voorkomen" (1 Sam 16,12).
Het uiterlijk doet er dus toe, het is belangrijk. Dat was ook het geval bij Antonius, de vader van het westerse monnikwezen. Athanasius, de bisschop van Alexandrië in datzelfde Egypte, is vijfmaal verbannen geweest, en enige malen zocht hij zijn toevlucht bij de monniken in de woestijn van Egypte, bij Antonius. Hij heeft het leven beschreven van Antonius met daarin het volgende portret:
Als iemand, die Antonius nooit eerder had gezien, vroeg: 'Ik zou graag kennis met hem maken', en als er dan gezegd werd: 'Hij is daar tussen die groep monniken', dan stapte degene die naar hem gevraagd had onmiddellijk op Antonius af, zozeer verschilde hij van alle andere monniken. Dat kwam, volgens de letterlijke woorden van Athanasius, 'door zijn bezadigde manieren en door de reinheid van zijn ziel. Zijn ziel was immers verstild en daarom vertoonden ook zijn zintuigen die kalmte. Nooit raakte hij opgewonden, want zijn ziel was rimpelloos. Nooit keek hij somber, want in zijn denken was hij blij.'
Dat is het portret van de paradijselijke mens na de zondeval, het is een beeld van het herwonnen paradijs. De nieuwe mens, de nieuwe schepping. Antonius laat zien dat het kan. Hij laat zien dat Christus de mens werkelijk vergoddelijkt. Dat "het Woord vlees is geworden" (Joh 1,14), gestalte heeft aangenomen. Dat wij niet alleen maar kinderen van God worden genoemd aan de buitenkant, maar het van binnen ook zijn. En Antonius was dat niet alleen in zijn doen, in zijn manieren, in zijn uiterlijk, maar hij was het ook in zijn wezen, in zijn ziel. Hij verschilde van alle andere monniken door zijn bezadigde manieren (buitenkant) en door de reinheid van zijn ziel (binnenkant). En in de zin die daarop volgt, wordt het omgedraaid: zijn ziel was immers verstild en daarom vertoonden ook zijn zintuigen die kalmte. Het is dus niet iets van buiten naar binnen, maar van binnen naar buiten. De monniken leggen zich toch immers toe op de reinheid van hart. Nooit raakte hij opgewonden (buitenkant), en dat was geen kwestie van zelfbeheersing, van wilskracht, van doen, maar het was een uitvloeisel van zijn binnenkant. Het was iets van zijn wezen. 'Nooit raakte hij opgewonden, want zijn ziel was rimpelloos.' Hij kon niet anders. Tenslotte heeft Athanasius het over zijn blik, over zijn oogopslag. De ogen zijn toch de spiegels van de ziel! 'Nooit keek hij somber, want in zijn denken was hij blij.'
U kunt gemakkelijk hoge gedachten hebben, uzelf min of meer in het paradijs weten, of u kunt somber worden, zo van: wat ben ik daar nog ver vanaf, dat haal ik nooit en ik ben al zo lang bezig. Of: wat zijn we met z'n allen daar nog ver van verwijderd, of: dat zou die of die zich eens moeten aantrekken. Maar u zoudt u ook allemaal van harte kunnen verheugen, zonder dat u zich illusies maakt over hoever u al gevorderd bent in het 'paradijselijk menszijn'. U kunt allemaal zeggen: ik loop op die weg, ik ben in die traditie. Het is deze spiritualiteit waarop de regel van Benedictus en alle andere regels zijn opgebouwd. Het is het evangelie dat we voor ons zien in Antonius. Het is niet een boek met letters, maar het is Jezus zelf, de Zoon van de levende God, die als de nieuwe Mens in ons midden staat. En Hij verheugt zich in ons gezelschap, niet omdat wij zo goed zijn en het al zover gebracht hebben, maar omdat wij op die weg lopen, de weg die Hij is. Het is een weg van bekering, een weg van berouw, en het alleen al willen lopen op die weg, geeft al vreugde bij de Heer, die levend in ons midden is. "Laten we eten en feestvieren, want deze zoon van mij was dood was en is weer levend geworden, hij was verloren en is teruggevonden (Lc 15,23.24). Jezus zegt toch dat er méér vreugde is over één zondaar die zich bekeert, dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen bekering nodig hebben" (Lc 15,7). Ook al zijn wij soms uiterlijk niet zo blij, dan nog mag onze ziel blij zijn omdat Hij blij is.