Heilige Hilarius, bisschop en kerkleraar
Eerste lezing: Hebreeën 2,5-12 [II 3];
Evangelie: Marcus 1,21-28 [II 4]
Inleiding
In het openingslied zongen wij: 'Indien de Heer geen brood verleent, zult gij op eten wachten.' Dan krijgen wij niet het brood dat alleen de Heer ons kan geven, maar eten we wat niet echt verzadigt, wat wij niet ontvangen uit de hand van God. Als wij bij het eten, bij het wonen en bij het werken niet het eten, het werken en het wonen ontvangen uit de hand van God, als wij er niet zijn liefde in ontvangen, is het eigenlijk maar niets. Het verzadigt niet, het geeft geen voedingskracht. In de eucharistie wordt het ons gemakkelijk gemaakt het brood te ontvangen als komend uit de hand van God. Het wordt ons gemakkelijk gemaakt om samen met het brood ook Gods liefde te ontvangen.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
In die tijd kwamen Jezus en zijn leerlingen in Kafarnaüm
en op de eerstvolgende sabbat ging Hij naar de synagoge
waar Hij als leraar optrad.
De mensen waren buiten zichzelf
van verbazing over zijn leer,
want Hij onderrichtte hen niet zoals de schriftgeleerden,
maar als iemand die gezag bezit.
Er bevond zich in hun synagoge juist een man
die in de macht was van een onreine geest
en luid begon te schreeuwen:
Jezus van Nazaret, wat hebt Gij met ons te maken?
Ge zijt gekomen om ons in het verderf te storten.
Ik weet wie Gij zijt: de heilige Gods.
Jezus voegde hem toe: Zwijg stil en ga uit hem weg.
De onreine geest schudde hem heen en weer,
gaf nog een luide schreeuw en ging uit hem weg.
Allen stonden zó verbaasd, dat ze onder elkaar vroegen:
Wat betekent dat toch? Een nieuwe leer met gezag!
Hij geeft bevel aan de onreine geesten
en ze gehoorzamen Hem.
Snel verspreidde zijn faam zich naar alle kanten
over heel de streek van Galilea.
Homilie
Een nieuwe leer. Wat leert Jezus dan? Wat is het nieuwe van zijn leer? Wat zijn leer is, wordt er niet bij gezegd. Blijkbaar bestaat het nieuwe niet zozeer in wát Hij zegt, als wel in de kracht waarmee Hij het zegt, het gezag, de volmacht. Jezus doet wat Hij zegt. Hij maakt zijn woorden waar. Terwijl Hij iets zegt, gebeurt wat Hij zegt. "Hij geeft bevel aan de onreine geesten en zij gehoorzamen Hem." Zijn woorden zijn krachtwoorden, doe-woorden. Ze hebben iets van sacramenten. Hij zegt dat God goed is en Hij doet Gods goedheid. Gods goedheid werkt door Hem. Jezus is zo vol van de liefde van God dat, als Hij erover praat, de mensen die liefde voelen en zelf ook vol liefde worden. Hij is zozeer vervuld van God, dat de afkeer die God heeft van het kwaad als het ware door zijn woorden heen het kwade verdrijft. In de mens die voor God openstaat, trekt Hij het goede aan en Hij verdrijft het slechte, de slechte krachten in de mens. Je kunt iemands kracht het beste merken aan zijn vermogen om tegenkrachten te weerstaan.
De leerlingen hebben de kracht van Jezus' woord het eerst leren kennen bij hun roeping. Toen Jezus zei: "Komt, volg Mij," (Mt 1.17) kwamen ze en volgden ze Hem. Jezus' woord legde zo'n beslag op hen dat heel hun bestaan erdoor op z'n kop werd gezet. En meteen daarna zien ze dat Jezus' woord een nog veel grotere kracht heeft, een kracht die de allergrootste tegenkrachten in de mens kan weerstaan. Die tegenkrachten verschijnen in het meervoud: "Gij zijt gekomen om ons in het verderf te storten." En als Jezus aan een geest die in een bezetene is, vraagt: hoe is je naam?, is het antwoord: "legioen, want we zijn met velen." De macht van de onreine geest is vele malen groter dan de macht van de mens. Hij is altijd in het meervoud. En die macht is zo geducht, omdat ze onverdeeld is. Bij ons mensen is het kwade altijd gemengd. Goed en kwaad. Tarwe en onkruid, grote en kleine vissen. Het is dooreen. Daardoor krijgt het kwaad nooit helemaal vat op de mens. Er zijn ook andere krachten, die het kwade tegenwerken, of waardoor een mens immuun wordt voor het kwaad. Maar bij de boze is dat anders. Hij is onverdeeld, alles zet hij in op dat ene doel, verstand, wil, hart, geheugen, voorstellingsvermogen, wilskracht, alles in dienst van het kwaad, van God weg, tegen God in.
Soms hebben mensen ogenblikken waarin ze echt helemaal door het kwaad zijn bezeten. Dan schrik je van jezelf. Maar onze Verlosser zegt: "Zwijg stil. Ga uit hem weg." Wie is nu bang voor een hond die aan een ketting ligt (Augustinus)? Het kwade is bezworen als je je tenminste verbindt met onze Heer Jezus, als je je niet van Hem losmaakt. Als je probeert te leven in verbondenheid met Hem. Niet met Hem als mens, als een groot mens, een genezer, een profeet, maar met Hem als God-Mens. Dan worden je krachten, je zwakke menselijke krachten, vergoddelijkt en kun je de bovenmenselijke krachten van het kwaad, ook het kwaad in je eigen hart, met de werkelijk bovenmenselijke kracht van God de baas worden.