Donderdag in de eerste week
    van het oneven jaar
                          HH. Maurus en Placidus,
                leerlingen van de heilige Benedictus


Eerste lezing: Hebreeën 3,7-14 [II 7];
Evangelie: Marcus 1,40-45 [II 8]


Inleiding  

'Saturavit'. Gevoed, verzadigd. Maar om het voedsel te kunnen opnemen, heb je honger nodig, trek. Hebt u honger? Hebt u honger naar het geestelijke voedsel, hebt u honger naar Jezus? Dat is de weg om de voedende kracht van dit sacrament aan uzelf te kunnen gewaarworden. Anders gaat het aan u voorbij. De voedende kracht van het sacrament merk je pas als je ernaar verlangt zoals de melaatse vandaag verlangt naar reiniging. Al zijn troeven zet hij op die ene kans: Jezus, "als Gij wilt, kunt Gij mij reinigen." Je moet van Jezus iets verwachten, dan pas kun je dit geheim naar behoren en naar genoegen vieren.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

Er kwam eens een melaatse bij Jezus
die op zijn knieën viel
en Hem smeekte:
“Als Gij wilt, kunt Gij mij reinigen.”
Door medelijden bewogen stak Hij de hand uit,
raakte hem aan en sprak tot hem:
“Ik wil, word rein.”
Terstond verdween de melaatsheid en was hij gereinigd.
Terwijl Hij hem wegstuurde, vermaande Hij hem met klem:
“Zorg ervoor dat ge aan niemand iets zegt,
maar ga u laten zien aan de priester
en offer voor uw reiniging wat Mozes heeft voorgeschreven
om ze het bewijs te leveren.”
Eenmaal vertrokken,
begon de man zijn verhaal overal in het openbaar te vertellen
en ruchtbaarheid aan de zaak te geven,
met het gevolg, dat Jezus niet meer
openlijk in de stad kon komen,
maar buiten op eenzame plaatsen verbleef.
Toch kwamen de mensen van alle kanten naar Hem toe.

Homilie  

“Er kwam eens een melaatse bij Jezus."
Over plaatsvervanging gesproken. Hij neemt de plaats in van alle melaatsen. Hij neemt de plaats in van allen die door de melaatsheid van de zonde zijn verontreinigd. Hij neemt onze plaats in. Die melaatse is namelijk een symbool van het kwaad, een samenvatting, samenballing van het kwaad. Een melaatse moet machteloos toezien hoe zijn ledematen stuk voor stuk worden aangetast, afsterven, afvallen, tot de dood er op volgt. Tot overmaat van ramp wordt hij ook nog buiten de gemeenschap gestoten. Hij moet apart wonen en buiten het kamp verblijven. En als teken van zijn toestand moet hij zijn haren los laten hangen, in gescheurde kleren lopen en als mensen hem te dicht naderen moet hij roepen: onrein, onrein. Pas op, blijf bij me weg! Ze zijn cultisch onrein en alles wat zij aanraken is eveneens onrein. Beeld van de zonde, beeld van de mensheid in de zonde, reddeloos gedoemd zijn ondergang tegemoet te gaan. Als schapen zonder herder. Verloren schapen. Een zieke, met een besmettelijke dodelijke ziekte onder de leden. Zo ziet Jezus heel de mensheid, zo ziet Jezus ons.

Deze melaatse maakt de onzichtbare afzichtelijkheid van de mens in de zonde zichtbaar. Maar hij maakt ook Gods barmhartigheid zichtbaar. Er is een Redder in de nood, een Verlosser en op Hem doet die melaatse een beroep. Dat is eigenlijk de enige gezonde plek in zijn wezen. Hij is van top tot teen aangetast door een bederf waaraan hij te gronde gaat, maar hij heeft één gezonde plek: zijn geloof in Jezus: "Als Gij wilt kunt Gij mij redden." Hij vertrouwt op de Heer. En daarmee verbreekt de melaatse alle grenzen, alle cultische grenzen, alle medische voorschriften; hij gelooft met een onbegrensd vertrouwen. Hij, aan de grens van de samenleving, aan de grens van leven en dood, aan de zelfkant van het leven, overschrijdt de grens van de mens naar God toe, van de dood naar het leven, van de duisternis naar het licht. Tot zulk een mate moeten ook wij ons vertrouwen laten uitgroeien. Als wij maar wisten dat wij er precies zo erg aan toe zijn! Reddeloos zonder God, maar te redden alleen door Hem. Onze Redder, zo heet Hij toch, onze Verlosser. Dan moet er toch iets te redden zijn!

"Door medelijden bewogen stak Jezus zijn hand uit", God steekt zijn hand uit naar de mens in de zonde. Het is een noodzakelijk gebaar. Wil een dokter kunnen genezen dan moet hij aanraken. Maar het is ook een riskant gebaar. De onreinheid gaat op hem over. En zo is het ook. Hij heeft onze zonden gedragen. "God heeft Hem voor ons tot zonde gemaakt" (2 Kor 5,21). Hij heeft onze zwakheden weggenomen door ze te dragen.

En Jezus weet dat. Hij weet wat Hij wil. "Ik wil liever barmhartigheid dan offers." Ik breng liever het offer van mijn eigen leven, dan dat jullie offers brengen van dieren of wat dan ook. Ik wil, zegt Hij tot de werkers van het laatste uur, jullie evenveel geven als aan de eersten. Mag Ik soms met het mijne niet doen wat Ik verkies, wat Ik liever wil, waaraan Ik de voorkeur geef uit vrije wil? "Of zijt gij kwaad omdat Ik goed ben?” (Mt 20,1-16) Jezus zegt: “Hoe dikwijls heb Ik u willen verzamelen, zoals een kloek haar kuikens verzamelt?” (Mt 23,37) Daarvoor is Hij toch gekomen. “De Mensenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was.” Ja, denken we: dat was toen, dat was bij die melaatse, tweeduizend jaar geleden. Nee, toen is in gang gezet wat nooit meer zou ophouden, want van die wil heeft Hij op de laatste avond van zijn leven een wilsbeschikking nagelaten. “Het Nieuwe Testament in mijn Bloed tot vergeving van de zonde."

Dat is wat wij nu vieren in de eucharistie. Die wil heeft een bestendigheid waarop wij steeds een beroep kunnen doen en waardoor ons ook zal geschieden wat Hij wil. Want zoals Hij door zijn scheppingswil hemel en aarde heeft geschapen en in stand houdt, zo wil Hij ook dat de schepping, op weg naar haar ondergang, van die weg wordt afgebogen en teruggevoerd naar zijn Vaderhuis.