Eerste lezing: Deuteronomium 26,4-10
Tweede lezing: Romeinen 10,8-13
Evangelie: Lucas 4,1-13
Inleiding
'Wanneer mijn dienaar Mij aanroept geef Ik gehoor. Ik zal hem redden en aanzien verlenen.' De redding komt van God, en de bekoring is om jezelf te redden, om eigenmachtig op te treden. In het evangelie van vandaag zullen we horen, hoe Jezus in een toestand verkeert waarin de bekoorder de kans van zijn leven krijgt om Hem, Jezus, ertoe te verleiden eigenmachtig Zichzelf te redden, eigenmachtig een eind te maken aan de grote zwakte van zijn honger, en om niet God aan te roepen voor de verlossing uit zijn lijden.
Wij zijn als christenen tot christen geworden, doordat wij zijn ondergedompeld in Jezus' zwakheid ten dode toe, in het watergraf van zijn lijden en dood. Wij zijn ondergedompeld in het er helemaal niets aan kunnen doen en er ook helemaal niks aan wíllen doen. Daar zijn wij door de heilige Geest mee verenigd. Ons oude ik, onze oude Adam, die er op uit is zich eigenmachtig redding te verschaffen, sterft, en wij staan op in de kracht van de heilige Geest, de Geest die er ons toe brengt om zwakheid liefdevol te verdragen, zwakheid om te zetten in liefde.
Het is altijd hetzelfde verhaal, maar het is een verhaal waar je nooit aan went, wat je altijd opnieuw moet worden gegeven, zoals ook de redding.
Laten we dat dan nu opnieuw aan ons gebeuren, in de viering van het water: de zegening en de besprenkeling ermee.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
Vervuld van de heilige Geest ging Jezus weer weg van de Jordaan;
Hij werd door de Geest naar de woestijn gevoerd,
waar Hij veertig dagen verbleef
en door de duivel op de proef werd gesteld.
Gedurende die dagen at Hij niets
en toen ze voorbij waren, kreeg Hij honger.
De duivel zei nu tot Hem:
Als Gij de zoon van God zijt,
beveel dan aan die steen daar, dat hij in brood verandert.
Jezus gaf hem ten antwoord:
Er staat geschreven:
De mens leeft niet van brood alleen.
Daarop voerde de duivel Hem omhoog
en toonde Hem in een oogwenk alle koninkrijken der wereld.
En de duivel sprak tot Hem:
Heel dat machtsgebied met zijn heerlijkheid zal ik U geven,
want het is mij in handen gesteld en ik geef het aan wie ik wil.
Als Gij dus in aanbidding voor mij neervalt,
zal het in zijn geheel van U zijn.
Toen antwoordde Jezus hem:
Er staat geschreven:
De Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen.
Daarna bracht de duivel Hem naar Jeruzalem,
plaatste Hem op de bovenbouw van een tempelpoort
en sprak tot Hem:
Als Gij de zoon van God zijt,
werp U dan vanaf deze plaats naar beneden;
want er staat geschreven:
Aan zijn engelen zal Hij omtrent U het bevel geven U te beschermen
en zij zullen U op de handen nemen,
opdat Ge uw voet niet zult stoten aan een steen.
Maar Jezus gaf hem ten antwoord:
Er is gezegd:
Gij zult de Heer uw God niet op de proef stellen.
Toen gaf de duivel al zijn pogingen om Hem te verleiden op
en verwijderde zich van Hem tot de vastgestelde tijd.
Homilie
Jezus ging vervuld van de heilige Geest weg van de Jordaan en Hij werd door de Geest naar de woestijn gevoerd." De heilige Geest daalde over Jezus neer bij de Jordaan, nadat Hij Zich in de Jordaan in het doopsel van Johannes de Doper had laten onderdompelen. Onderdompelen in het water en tegelijkertijd laten onderdompelen in het bestaan in de zonde. Hij is solidair geworden met de zondaars, bereid om hun zonden te dragen en te verdragen. Zo heeft Hij Zich als het ware door God tot zonde laten maken, zegt sint Paulus (vgl. 2 Kor 5,21). En over deze Dienstknecht, over deze arme, ontledigde, over deze vervloekte daalt de Geest neer in de gedaante van een duif, hét symbool van de verzoening tussen hemel en aarde, en bleef op Hem rusten. Dat betekent: Jezus werd ervan vervuld. Het is niet voor eventjes, maar eenmaal op Hem neergedaald, zal Hij altijd bij Hem blijven. "Toen sprak een stem uit de hemel: Gij zijt mijn Zoon, de Welbeminde, in U heb Ik mijn behagen gesteld" (Lc 3,22). De knecht, de vernederde, de overgeleverde, de verworpene is de Zoon, is de Welbeminde, is de in liefde aangenomene. De zwakke wordt door God voorzien van zíjn sterkte; Jezus, die afstand had gedaan van alle eigen kracht en niet Zichzelf heeft willen redden. Dat is het doopsel: de inwijding, de initiatie van zijn openbaar leven.
Jezus werd door de Vader gered. De heilige Geest, de Geest die Jezus helemaal vervult, is dan ook de drijvende kracht achter al zijn woorden en daden. Sint Jan laat het Jezus dikwijls uitdrukkelijk uitspreken: 'De woorden die Ik spreek, zijn niet mijn woorden; het oordeel dat ik vel, is niet mijn oordeel; het bestaan dat Ik leidt, is niet mijn bestaan, maar Ik heb het van God gekregen; de zending die Ik ontvangen heb, heb Ik niet zelf gekozen'. Alles krijgt Hij van God, en het is niet een keer gekregen hebbend en het dan zelf in bedrijf nemend, onafhankelijk van God, maar het is steeds weer opnieuw krijgend, in een geest van verbondenheid met God. Dat is eigenlijk de heilige Geest. Hij is de Geest van verbondenheid met God in zwakheid, ja in uiterste zwakheid en vernedering. Ook als het er niet bijstaat, moeten wij het er steeds bij denken, dat Jezus vanuit die kracht werkt en spreekt. Daarom wordt dat aan het begin van deze perikoop uitdrukkelijk vermeld. "Vervuld van de heilige Geest ging Jezus weer weg van de Jordaan, en Hij werd door de Geest naar de woestijn gevoerd. Een enkele keer herhaalt Lucas dat, of laat het nog eens opnieuw gezegd zijn: In de kracht van de Geest keerde Jezus terug naar Galilea (Lc 4,14), nadat Hij in de woestijn was geweest, en in de synagoge van Nazareth reikten ze Hem de boekrol van de profeet Jesaja aan. Hij opende de rol en trof de plaats waar geschreven stond: De Geest des Heren is over Mij gekomen, omdat Hij Mij gezalfd heeft (Lc 4,17.18) Dat slaat op dat doopsel. Hij heeft Mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen, aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken, en aan blinden, dat ze zullen zien; om verdrukten te laten gaan in vrijheid" (Lc 4,18). Dat zijn allemaal mensen die overgeleverd zijn aan een of andere vorm van zwakte, mensen die zichzelf niet kunnen helpen, die zichzelf niet kunnen redden, en daarom in de toestand verkeren om de redding van Godswege te ontvangen. Het is de redding van hun zelfredzaamheid! Want dat is onze grootste zwakte, onze ernstigste bekoring.
Nu brengt die heilige Geest Jezus naar de woestijn. Dat wil zeggen: een plaats waar de mens zich vrijwillig en bewust ontdoet van alle middelen om zichzelf te redden, om zichzelf te helpen, om zichzelf te kunnen voeden. In zo'n situatie als de woestijn - maar dat kan ook een ziekte zijn, of tegenslagen, teleurstellingen, onderdrukking, één of andere vorm van sociale of individuele zwakte, het kan ons allemaal overkomen in allerlei vormen, - is het dat je moet leven van God en van God alleen, "van alles, van ieder woord, dat uit de mond van God voortkomt" (Mt 4,4).
Jezus heeft dat ook echt doorstaan, die zwakheid heeft Hij aan den lijve ondervonden. En dat is de eigenlijke betekenis van die bekoring. Dat Hij door de satan, de tegengeest, op de proef wordt gesteld; dat het Hem iets gekost heeft en daarom gevoelig was om het anders te doen. Hij heeft opnieuw moeten kiezen om zijn bestaan als Kind van God, als Zoon van God, opnieuw te ontvangen uit Gods handen en niet zelf naar de redding te grijpen. De heilige Geest motiveert Jezus om zijn kracht en zijn redding alleen bij God te zoeken, en de tegengeest, de antigeest, doet precies het tegenovergestelde: in zwakheid de redding zoeken bij zichzelf, bij zijn eigen macht.
Zo wordt het ons verteld: "Gedurende die dagen at Hij niets en toen ze voorbij waren, kreeg Hij honger." Kreeg Hij toen pas honger? Zouden we niet moet zeggen: toen kreeg de honger Hem te pakken; toen had de honger Hem in zijn greep; toen was Hij één en al honger, één en al zwakheid, één en al slachtoffer voor de bekoring om Zichzelf redding te verschaffen. Dat is hét moment van de bekoring. "Als Gij de Zoon van God zijt, ... De duivel had het ook gehoord, hij was erbij geweest, toen Jezus na zijn doop in de Jordaan in gebed was en uit de hemel een stem hoorde die sprak: Gij zijt mijn Zoon, de Welbeminde" (Lc 3,21.22). Maar de duivel verstaat dat in zijn eigen geest, in zijn eigen antigeest, en denkt: Jezus is de machtige, de eigenmachtige, de zelfverheerlijkte, en dus spreekt hij Jezus toe: "Als Gij de Zoon van God zijt, als je dan de machtige bent, de eigenmachtige, beveel dan." Als je de Zoon van God bent, dan heb je het toch voor het zeggen. En die macht kun je dan ook voor je eigen redding aanwenden. "Beveel dan aan die steen daar, dat hij in brood veranderd." Die steen zag er uit als brood, en dan kun je je ook voorstellen, als een inwendig gebeuren van Jezus, dat Hij in die uiterste zwakheid, in die honger, in die steen iets zag van brood. Dat heb Ik nu nodig.
Maar de veertig dagen waren toch al voorbij? Jezus kon toch eten? Ja, maar Jezus was en bleef de Zoon van God, de Gehoorzame, de Dienaar. Hij doet niets uit eigen wil, Hij doet niets uit eigen macht. In liefde doorstaat Hij de toestand van zwakte tot het uiterste. In liefdevolle verbondenheid bleef de heilige Geest op Hem rusten, ook in die uiterste beproeving van veertig dagen honger. Zijn antwoord is dan ook niet: Nu ga Ik van de macht die Ik van God heb gekregen, gebruik maken om Mijzelf te redden. Nee, "de mens leeft niet van brood alleen, en daar moet je dat woord aan toevoegen, dat er in het boek Deuteronomium staat en waarnaar Jezus ook verwijst: maar van ieder woord dat komt uit de mond van God" (Dt 8,3). Jezus leeft van God, en Hij kan het Zich alleen maar laten geven door God.
God en Jezus zijn door en in de heilige Geest één in de liefdevolle verbondenheid, en die eenheid blijft, ook in die uiterste beproeving van Zichzelf te willen voeden, zelf naar de macht te grijpen, Zichzelf te redden. Jezus werd dan ook niet, wordt er wel eens gezegd, door de nagels vastgespijkerd aan het kruis, maar door de Geest van liefdevolle verbondenheid met zijn Vader.
Datzelfde geldt voor de macht. Jezus zegt zelf: "Mij is alle macht gegeven, in de hemel en op aarde" (Mt 28,18). De duivel had wel gezien dat Jezus' aanspraken een wereldwijde dimensie hadden. Hij was gezonden om de wereld te verlossen en daarop speelt de duivel in: als je de wereld wilt hebben, wel, dan kun je die van mij krijgen. Maar die macht die Jezus inderdaad heeft, is een gegeven macht. Hij heeft die macht nooit in eigen bezit, in zelfheerlijkheid, in soevereiniteit. En dat Hij die macht in machteloosheid bezit, als het ware helemaal afgestorven is aan alle eigenmachtigheid, die machteloosheid helemaal ten einde toe heeft beleefd, dat Hij in plaats van macht uit te oefenen in de macht (in de handen) van de wereld terecht is gekomen, dat ze Hem ten einde toe de macht hebben afgenomen en dat Hij Zich de macht heeft laten ontnemen, dáárom is Jezus de Machtige. De Mensenzoon is wereldrechter, want de macht die Hij heeft, is een geschonken macht. "Mij is alle macht gegeven, in de hemel en op aarde" (Mt 28,18). Jezus krijgt die macht pas, nadat Hij eerst de toestand van machteloosheid in zijn uiterste consequenties in liefde heeft doorstaan.
Hoe zit het met Jeruzalem? Zou Hij ook daar niet op handen worden gedragen? Maar nee, Hij is door het volk en door de leiders van het volk, de hogepriesters, schriftgeleerden en Farizeeën, verworpen. Kruisig Hem! Het heeft Jezus alles gekost, het ging Hem aan het Hart, Hij heeft daar aan geleden. De laatste beproeving door de duivel bewijst dat ook; de laatste bekoring om aan God te vragen Zich door engelen te laten dragen, "opdat Ge uw voet niet zult stoten aan een steen." Die uiterste beproeving van helemaal verworpen te worden door zijn volk, door zijn mensen, dáárin wordt Jezus bekoord om Zich op handen te laten dragen. Maar Jezus is ook niet ingegaan op deze laatste bekoring uit gehoorzaamheid aan en in verbondenheid met zijn Vader.
We moeten niet het leven in eigen hand nemen, niet zelf redden, maar eerst bidden, eerst God God laten zijn. Eerst ben je een kind van God, dan pas een kind van de mensen, en van daaruit besta je. Dat hele bestaan wordt in de eucharistie bij de offerande door de priester in de vorm van brood en wijn in handen genomen en aan God uit handen gegeven. Precies zoals bij de Joden de eerstelingen van alles. We beginnen niet meteen zelf te consumeren, nee, we krijgen het uit Gods hand, en dat betekent uit Gods Hart. 'Dit is mijn Lichaam voor u.' Heel mijn wezen, tot mijn lichamelijke bestaan onder de mensen toe, is voor jullie. Dat wij dát geloven, daardoor krijgt heel ons leven een andere dimensie. Dan krijgt ons leven een bestaan van genade, van gratis, van geschonken, en wel met liefde geschonken.